nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

22.12.2016 Gedragscode werd driemaal flink op de proef gesteld

De Federatie Voedingsindustrie (FEVIA) vestigt de aandacht op het jaarverslag omtrent de werking van de gedragscode voor faire handelsrelaties in de agrovoedingsketen. De gedragscode zag het levenslicht in het voorjaar van 2010 en is tot op de dag van vandaag de grootste verwezenlijking van het Ketenoverleg. Niet minder dan 261 ondernemingen uit de voedingsindustrie, diervoedersector en distributie onderwerpen zich aan de gedragscode. Daar moet je de (tien)duizenden leden van de landbouw- en zelfstandigenorganisaties nog bijtellen want zij zijn collectief toegetreden via hun beroepsvereniging. Het voorbije werkingsjaar werden drie handelspraktijken aangekaart bij het comité dat toeziet op de naleving van de gedragscode.

Opdat de verschillende marktpartijen in de voedselketen op een faire manier met elkaar handel zouden drijven, namen de sectorfederaties die deel uitmaken van het Ketenoverleg in 2010 het initiatief om een gedragscode op te stellen. De gedragscode huldigt het principe dat de marktpartijen zich gedragen als partners in een gezamenlijk streven naar een duurzame ontwikkeling van de agrovoedingsketen. Ze dienen de contractueel overeengekomen clausules te respecteren, waaronder de betalingstermijn. Als daaromtrent niets afgesproken is, moet de wettelijke betalingstermijn van 30 dagen gehanteerd worden. Koper en verkoper stellen een schriftelijke overeenkomst met duidelijke voorwaarden op, respecteren de vertrouwelijkheid van informatie en dragen het eigen ondernemersrisico. Ook zullen ze er bij de tegenpartij niet mee dreigen om een “ongerechtvaardigd voordeel” te bekomen of een “ongerechtvaardigde kost” over te dragen.

De gedragscode voorziet dat er jaarlijks verslag wordt uitgebracht, zonder naamsvermelding van de bedrijven die het slachtoffer zijn van een oneerlijke handelspraktijk of de vermeende dader zijn in zo’n geschil. Over de handelsgeschillen in de agrovoedingsketen komt de buitenwereld dus niet het fijne te weten, maar dat kan volgens Chris Moris van voedingsfederatie FEVIA ook niet de bedoeling zijn. "Wie de klacht inleidt, wil zijn anonimiteit niet prijsgeven uit angst dat de afnemer een andere leverancier kiest. Omgekeerd zijn grote winkelketens of andere aangeklaagde partijen erg beducht voor reputatieschade." Het jaarverslag vermeldt dus enkel in algemene termen dat het beroepscomité zich in werkingsjaar 2015-2016 over drie geschillen boog. Dat lijkt weinig maar de directeur-generaal van FEVIA verduidelijkt dat er bij een geaggregeerd geschil tientallen gedupeerden van één bepaalde handelspraktijk kunnen zijn.

In volle melkcrisis was er een zuivelonderneming die de melkophaling onderbrak en hernam tegen een verminderde prijs. Het comité dat toeziet op de gedragscode is hier weliswaar over geïnformeerd, maar uiteindelijk is dit geschil afgehandeld conform een interprofessioneel akkoord tussen de landbouworganisaties en de zuivelindustrie. In een tweede geschil werd er na tussenkomst van het comité een meeting belegd tussen een winkelketen en diens leveranciers over het (niet bij de prijsnegotiaties afgesproken) doorrekenen van de kostprijs voor een online platform waarop productspecificaties meegedeeld worden. Het derde geschil betreft het door een winkelketen verplicht gebruik van een bepaald type promotiepaneel afkomstig van één aanbieder. Het niet kunnen kiezen voor een andere leverancier kan een impact hebben op de prijs, anderzijds is het begrijpelijk dat een winkelketen streeft naar uniformiteit. Het horen van beide partijen en rekening houden met ieders bemerkingen vindt de voedingssector sterk aan het principe 'comply or explain'.

Niet ieder geschil kan voorgelegd worden aan het comité dat toeziet op de naleving van de gedragscode. De sectorfederaties pikken de signalen van hun leden op en kunnen een geschil doorspelen aan het comité als het meerdere van hun leden treft. Bij de evaluatie volgt het comité het hierboven reeds vermelde basisprincipe ‘pas toe of leg uit’. Over individuele handelsgeschillen buigt het comité zich niet. De gedragscode zegt daarover dat de partijen er zelf moeten proberen uit te geraken. De aanklagers worden geacht om de gemakkelijkste en goedkoopste oplossing eerst te kiezen. De pistes die ze kunnen overwegen, zijn commerciële onderhandeling, contractuele opties, interne geschillenbeslechting, bemiddeling die de toestemming van beide partijen vergt of, in het uiterste geval, de rechtbank.

Precieze cijfers over het aantal individuele handelsgeschillen in de agrovoedingsketen zijn niet bekend. Wel is het zo dat het Europese Supply Chain Initiative de aangesloten bedrijven, onder andere de ondertekenaars van de Belgische gedragscode, daarover jaarlijks bevraagd. Het jaarverslag voor 2015 vermeldt dat een kwart van de in ons land aangeschreven bedrijven de moeite deed om de enquête te beantwoorden. Hoeveel klachten over oneerlijke handelspraktijken er precies uit ons land komen, wordt niet gespecifieerd. Aangezien er in gans Europa maar drie keer officieel klacht is neergelegd, moeten dit wel de drie geaggregeerde geschillen zijn die we hierboven bespraken. Daarnaast waren er nog 13 vermeende inbreuken op een principe uit de gedragscode, maar deze werden allemaal informeel opgelost. Het ongenoegen omtrent oneerlijke handelspraktijken is niettemin groter dan de 16 (vermeende) inbreuken op de gedragscode doen vermoeden. Dankzij de enquête komen 49 verschillende klachten boven water.

Het jaarverslag van de Belgische gedragscode vermeldt nog dat de Belgische aanpak de Europese Commissie is opgevallen: “Bij gebreke aan nationale wetgeving inzake oneerlijke handelspraktijken maar dankzij de steun van alle belanghebbenden biedt het platform marktdeelnemers enige mate van bescherming tegen oneerlijke handelspraktijken. Daarom wordt het platform in België zo doeltreffend geacht.” Volgens Chris Moris geniet de vrijwillige aanpak van oneerlijke handelspraktijken weinig vertrouwen bij de Europese Commissie omdat de resultaten er in de meeste landen niet zijn. De Belgische gedragscode is daarop een uitzondering volgens de woordvoerder van de voedingsindustrie.

Tijdens het laatste werkingsjaar, dat loopt van juli 2015 tot juni 2016, hebben 37 voedingsbedrijven de gedragscode onderschreven. Dat brengt het aantal individuele ondertekenaars van de code op 261 ondernemingen: 203 uit de voedingsindustrie, 42 uit de diervoedersector en 16 uit de distributie. Voor de landbouworganisaties (ABS, Boerenbond en FWA) en de zelfstandigenorganisaties (UNIZO en UCM) geldt de handtekening van de voorzitter van de representatieve beroepsvereniging voor alle leden. Door beleidsmakers werd aangedrongen op een versterking van de gedragscode uit bezorgdheid voor de nog altijd zwakke positie van landbouwers in de keten. Als reactie daarop houden partners van het Ketenoverleg vast aan de aanpak ‘compy or explain’, werken ze aan complementariteit tussen de code en de diensten van de FOD Economie, willen ze de eigen autonomie van het ketenoverleg bewaren en een externe, onafhankelijke voorzitter aanduiden. Vandaag is de voorzitter van het Belgisch Ketenoverleg (boerenfrontman Yvan Hayez) automatisch ook voorzitter van de ondertekenaars van de gedragscode.

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via