nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

11.06.2015 "Geen bewijs voor wereldwijde nutritionele transitie"

Niets wijst erop dat de overgang van een voedingspatroon waarin dierlijke producten, vetten en suikers een belangrijke rol spelen naar een voedingspatroon met meer groenten en fruit en minder vleesconsumptie op wereldschaal al is ingezet. Dat zei Erik Mathijs, professor aan de KU Leuven, tijdens een studiedag van de Belgian Association for Meat Science and Technology (BAMST). Volgens hem is er dus nog geen sprake van een nutritionele overgang. Wel wijst hij erop dat de wereldwijde consumptie van vlees de komende decennia zal toenemen, maar trager dan dit de afgelopen periode het geval was.

Onder invloed van een groot aantal factoren is de humane voeding doorheen de geschiedenis veranderd. Omdat er toenemende aanwijzingen zijn dat er zich een nieuwe transitie aan het voltrekken is naar een lager verbruik van vlees, gecombineerd met een toenemend verbruik van hoog kwalitatieve vetten, volle granen en fruit en groenten, onderzocht de onderzoeksgroep van professor Mathijs of er werkelijk sprake is van zo’n omslag in het vleesverbruik. Daarvoor belichtte hij vleesreductie vanuit milieuperspectief en vanuit nutritioneel perspectief. Inkomen werd telkens gebruikt als de belangrijkste determinant.

Om de rol van het milieuperspectief te belichten, werd vlees bekeken als een vorm van milieuvervuiling. Mathijs vertrok van de hypothese dat milieuvervuiling toeneemt naarmate een land zich ontwikkelt totdat er een omslagpunt wordt bereikt waarbij burgers bereid zijn te betalen voor milieukwaliteit en de milieuvervuiling dus zal afnemen (Environmental Kuznets Curve hypothesis). Daarvoor vergeleek hij inkomen en vleesconsumptie op basis van FAO-data van 120 landen over de periode 1961-2007. “De analyse leerde ons dat er een indicatie is voor zo’n patroon, maar dat de indicatie zwak is. Bovendien zijn nog maar weinig landen voorbij het omslagpunt waarbij men bereid is te betalen voor milieukwaliteit”, concludeerde Mathijs op basis van die analyse.

De rol van het nutritioneel perspectief belichtte de professor aan de hand van vijf nutritionele patronen die zich hebben voorgedaan doorheen de geschiedenis. Het eerste patroon is verzamelen en maakte onderdeel uit van de jager-verzamelaar samenleving. Gaandeweg evolueerden we naar een agrarische samenleving die gekenmerkt wordt door hongersnood. Door de geringste misoogst of tegenslag was de mens gedoemd tot honger. Wanneer we overstappen naar een industriële samenleving vermindert de hongersnood, maar nog steeds blijft die aanwezig.

Het vierde patroon is dat van de degeneratieve ziektes, kenmerkend voor een tertiaire samenleving. Die ziektes doen zich voor door een gebrek aan beweging, weinig energieverbruik, een grote inname van dierlijke proteïnen, van suikers en van vetten. Dit moet ultiem leiden naar een gedragsverandering zodat we kunnen spreken van een bewuste samenleving die kiest voor meer groenten en fruit en minder vet. “In de huidige samenleving ligt de focus op patroon drie en vier”, aldus Mathijs. “De overgang van verminderde hongersnood naar degeneratieve ziektes noemen we de eerste nutritionele transitie. Obesitas in ontwikkelingslanden is een voorbeeld van deze omslag.”

De vraag die zich stelt is of er al bewijs is dat een tweede nutritionele transitie is ingezet naar een bewuste samenleving waarbij meer ingezet wordt op groenten en fruit en minder op vet en vlees. Om deze hypothese te testen, maakte de professor opnieuw gebruik van FAO-data van 168 landen uit 2011 en vergeleek hij ook deze keer inkomen en vleesverbruik. “Uit onze analyses blijkt dat zo’n omslagpunt nog niet bereikt is. Wel zien we globaal genomen dat de consumptie van dierlijke producten daalt als het inkomen stijgt, maar er is niet echt sprake van een duidelijke toename van het groente- en fruitverbruik. Bovendien is er enorm veel diversiteit tussen landen wereldwijd. Er zijn rijke landen die veel vlees eten, maar er zijn er ook die een laag vleesverbruik hebben. En ook bij arme landen zien we landen met een grote vleesconsumptie en anderen met een lage”, klinkt het.

Dat doet Mathijs concluderen dat een tweede nutritionele transitie naar gedragsverandering en bewuste consumptie zich vooralsnog lijkt te beperken tot een aantal landen. Hij wijst er wel op dat de FAO verwacht dat de consumptie van dierlijke producten in ontwikkelingslanden duidelijk zal toenemen. Van 29 procent nu zal die tegen 2030 stijgen naar 35 procent van de wereldwijde vleesconsumptie. Voor 2030 stelt FAO een prognose van 37 procent voorop. Ter vergelijking: in de industriële landen bedraagt het verbruik van dierlijke producten 48 procent. “Wereldwijd zal de vraag naar vlees dus wel toenemen, maar de groei van die vraag zal afnemen. Tussen 1961 en 2001 bedroeg die drie procent, in de periode 2000-2030 zal er sprake zijn van een groeivoet van 1,7 procent en tussen 2030 en 2050 wordt slechts een groeivoet van één procent verwacht”, aldus de professor.

Bron: eigen verslaggeving

Beeld: EVA

Volg VILT ook via