nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

13.03.2020 Geen resistente bacteriën bij juist gebruik ontsmetting

Om dierziekten te voorkomen en te bestrijden moeten stallen en hun omgeving op regelmatige basis ontsmet worden. Er bestaan echter aanwijzingen - op basis van laboratoriumproeven - dat het gebruik van ontsmettingsmiddelen kan leiden tot resistentie bij bacteriën. Die resistentie zouden ze dan niet alleen opbouwen tegen de ontsmettingsmiddelen zelf, maar ook tegen antibiotica. “Klopt niet, als je de correcte dosis van het ontsmettingsmiddel gebruikt”, weet ILVO-UGent onderzoekster Helder Maertens na haar doctoraat.

Helder Maertens, onderzoekster bij ILVO en UGent, voerde een grote reeks veldexperimenten uit om na te gaan wat in praktijkomstandigheden het effectieve risico op resistentievorming is. “Er treedt géén ontsmettingsmiddelenresistentie en géén verhoogde antibioticaresistentie op door ontsmettingsmiddelen te gebruiken volgens de voorgeschreven toepassingswerkwijze en de geadviseerde dosering door de fabrikant”, besluit ze. Het gebruik van lagere concentraties aan ontsmettingsmiddel dan voorgeschreven geeft wel aanleiding tot problemen.

De doctoraatsstudente ging aan de slag met een schat aan gegevens beschikbaar bij DGZ-Vlaanderen. Ze analyseerde data van hygiënogrammen (hygiënescores op basis van microbiologische analyses), verzameld tussen 2007 en 2014 in de pluimveesector. “De hygiëne bleek beter bij het gebruik van een reinigingsproduct, dan wanneer er enkel werd gereinigd met water”, aldus Helder Maertens. “Wanneer tijdens de ontsmetting twee verschillende ontsmettingsproducten werden gebruikt in plaats van één, kreeg je betere scores. Dit was ook het geval wanneer de ontsmetting uitgevoerd werd door een externe firma, in vergelijking met een ontsmetting door de veehouder zelf.”

Daarna was het tijd om ter plekke experimenten uit te voeren. “In 25 vleeskuiken- en 21 varkensbedrijven liet ik een enquête invullen rond het toegepaste reinigings- en ontsmettingsprotocol”, licht Helder Maertens uit. “Op elk bedrijf werden er, 24 uur na ontsmetting, stalen van de stalomgeving genomen. Dit om E. coli bacterie te verzamelen waarop de gevoeligheid voor antibiotica en ontsmettingsmiddelen kon worden getest. Die testen wijzen uit dat de in de stal verzamelde bacteriën géén resistentie tegen de ontsmettingsmiddelen vertoonden. En ik vond ook geen aanwijzingen van een verhoogde antibioticaresistentie door het gebruik van die ontsmettingsmiddelen.”

Herhaalde testen wezen ook uit dat de E. coli bacteriën geen verschillen in gevoeligheid vertoonden naargelang van de keuze van het ontsmettingsproduct. “En ook bij herhaaldelijk gebruik kon ik geen opbouw van ontsmettingsmiddelresistentie vaststellen”, klinkt het. “Er is evenmin sprake van een ontwikkeling van antibioticaresistentie.”

Een te lage dosering van ontsmettingsmiddel is af te raden. “Bij deze concentratie kunnen bacteriën overleven, hoewel er ook bacteriën zijn die hierdoor in een ‘intermediaire’ toestand raken tussen leven en dood”, legt Helder Maertens uit. “Zulke bacteriën, die een suboptimale ontsmetting hebben doorgemaakt, blijken minder gevoelig te reageren op een antibioticabehandeling. Al zijn ze niet in staat om hun eventueel aanwezige antibioticaresistentie-genen te transfereren naar andere bacteriën.”

“Er is dus geen reden tot bezorgdheid over antimicrobiële resistentie-selectie door het gebruik van ontsmettingsmiddelen in de dierlijke veehouderij”, besluit Helder Maertens. “Maar weliswaar onder de belangrijke voorwaarde dat de ontsmettingsmiddelen correct worden toegepast.”

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via