nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

28.07.2017 Gemiddeld Belgisch landbouwbedrijf is 41,15 ha groot

Dat de landbouwsector voortdurend in beweging is, hoeft niet meer gezegd. De ‘Kerncijfers Landbouw’ die de FOD Economie jaarlijks publiceert, maken die evolutie tastbaar en bevattelijk. Wist u dat de Belgische landbouwsector en de voedingsindustrie samen twaalf keer meer uitvoeren dan hun aandeel in het BBP? Dat er op de Belgische landbouwbedrijven steeds meer niet-familiale arbeidskrachten werken en dat de productie van aardappelen in minder dan 40 jaar meer dan verdrievoudigd is? 

Geen betere manier om de razendsnelle evoluties in de land- en tuinbouwsector te vatten dan een tabel die de sector vandaag vergelijkt met hoe die er pakweg 40 jaar geleden uitzag. Het is precies dat langetermijnperspectief dat van de Kerncijfers Landbouw van de Algemene Directie Statistiek - Statistics Belgium van de FOD Economie telkens weer interessant leesvoer maakt. Neem nu het aantal landbouwbedrijven in ons land en de daarmee gepaard gaande concentratie van gronden: in 36 jaar tijd, van 1980 tot 2016, verdween 68 procent van de landbouwbedrijven in ons land. 

Tijdens die periode verdwenen ze aan hetzelfde tempo in het Vlaanderen en Wallonië (gemiddeld -3,2% op jaarbasis). De werkgelegenheid in de landbouw gaat achteruit: in de sector is 60 procent van de banen verloren gegaan tussen 1980 en 2013. Ook het aandeel van de landbouw in de Belgische economie, dat al erg laag was, neemt nog verder af en is nu onder 1 procent gezakt. In 2016 produceerde de sector slechts 0,7 procent van het bbp; in 1980 was dat nog 1,13 procent.

Belangrijke kanttekening: als je de voedingsindustrie meetelt dan ziet het plaatje er een stuk anders uit. In de uitvoer is het relatieve belang van de agro-voedingssector twaalf keer groter dan het aandeel in het BBP. De eigenlijke landbouw (dieren, dierlijke en plantaardige producten en vetten) nam 5 procent van de Belgische uitvoer voor zijn rekening. Daar kunnen nog de 6,7 procent uitvoer van voedingsmiddelen, dranken en tabak bijgerekend worden.

Het aantal land- en tuinbouwbedrijven in België daalt ieder jaar. De totale oppervlakte van alle bedrijven samen neemt echter veel minder snel af. De land- en tuinbouwbedrijven worden met andere woorden gemiddeld alsmaar groter. In 35 jaar tijd is de gemiddelde oppervlakte van de bedrijven bijna verdriedubbeld, zowel in Vlaanderen (van 8,4 ha in 1980 tot 25,4 ha in 2015) als in Wallonië (van 20,8 ha tot 56,9 ha). Ook het het aantal dieren per bedrijf blijft groeien. Gemiddeld zaten er op een Vlaams landbouwbedrijf in 1980 15 varkens. In 2000 waren dat er 79 en in 2015 al 144. Voor runderen is de evolutie gelijkaardig: van gemiddeld 33 in 1980 naar 112 in 2015.

Wat tewerkstelling betreft zijn de landbouwbedrijven zelf een relatief kleine werkgever. Als je naar de arbeidskrachten op die bedrijven kijkt, is sinds drie decennia een dubbele evolutie merkbaar: enerzijds is er een zeer lichte stijging van het aantal werknemers per bedrijf (van 1,63 in 1980 tot 1,97 in 2013), anderzijds is er vooral een steeds belangrijker aandeel niet-familiale arbeidskrachten (van 3,9% in 1980 tot meer dan 20% in 2013). Parallel daarmee is het aantal tractoren en ander landbouwmaterieel duidelijk toegenomen. Terwijl er in 1977 ‘maar’ 114.517 tractoren rondreden waren dat er vorig jaar 188.122.

Wat staat er op de velden? Tussen 2001 tot in 2008 was er een sterke groei van de granen, gevolgd door een licht dalende trend en een stabilisering. Ook de oppervlakte suikerbieten is gelijkmatig gedaald. Die afname is vooral de aardappelteelt ten goede gekomen. Sinds 1980 kende de aardappelteelt een enorme progressie: in minder dan 40 jaar (tussen de periodes 1995-1997 en 2013-2015) is de productie ervan meer dan verdrievoudigd. Daardoor is de aardappel, na de groenten, qua waarde het belangrijkste akkergewas geworden.

Wat verdiende de boer daar tenslotte aan? Sinds 2010 stegen de voedselprijzen voor de consument met 14 procent, terwijl de afzetprijzen van de landbouw verlaagd zijn. Tussen midden 2013 en midden 2014 daalde de afzetprijsindex van de landbouw opnieuw, en kwam hij onder het percentage van de consumptieprijsindex uit (met 2010 als referentiejaar). Sinds een dertigtal jaar zijn de consumptieprijzen sneller gestegen dan de afzetprijzen, wat zijn effect heeft op de macro-economische rekeningen van de landbouwsector. De laatste vier jaar daalde de productiewaarde. Ook de netto toegevoegde waarde ging de laatste tien jaar in dalende lijn.

Het volledige rapport lees je hier

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via