nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

22.01.2015 Glastuinbouw in Vlaanderen: kansen en uitdagingen

De glastuinbouwsector in Vlaanderen en Zeeland wordt geconfronteerd met verschillende uitdagingen, maar ook opportuniteiten. Het aantal bedrijven neemt af, hun schaal neemt toe. “In een regio waar versnippering en gebrek aan ruimte een realiteit zijn, en in een tijd waar energie een kostbaar iets is, vraagt dit om innovatieve oplossingen, ondernemerschap en een faciliterende overheid”, stelt Didier Huygens van de dienst Landbouw van Oost-Vlaanderen tijdens de themadag ‘Richting 2020: een duurzaam perspectief voor de glastuinbouwsector' op Agriflanders. Daar werd een helder beeld geschetst van de huidige situatie en het beleid in Zeeland en Oost- en West-Vlaanderen.

In Vlaanderen neemt glastuinbouw zo’n 0,3 procent in van het totale landbouwareaal, goed voor 1.930 hectare. Het betreft 1.514 bedrijven, die actief zijn in de sectoren glasgroenten, sierteelt en fruitteelt (aardbeien en houtig kleinfruit). Serres komen verspreid over Vlaanderen voor, met een opvallende concentratie in Antwerpen (847 hectare) en in Oost- en West-Vlaanderen (respectievelijk 426 en 471 hectare).

Qua omzet is tomaat het belangrijkste product, goed voor zo’n 180 miljoen euro per jaar, gevolgd door aardbei (117 miljoen euro), paprika (37 miljoen euro) en azalea (50 miljoen euro). Qua areaal moet tomaat (522 ha) echter kropsla (740 ha) voor zich laten. Ook aardbei, het tweede belangrijkste product wat omzet betreft, neemt een veel kleiner areaal in: 316 hectare. Dit areaal is wel opvallend gegroeid de laatste vijf jaar: in 2007 ging het nog maar om 191 hectare. Daarmee is aardbei onder glas de enige opvallende groeier in ruimte. Het areaal sierteelt daalde tussen 2007 en 2013 daarentegen 41,2 procent, het areaal slateelten 26,8 procent en het areaal vruchtgroenten 12,3 procent. Binnen de sierteelt zijn de opvallendste dalers snijbloemen (-61,6%), kamerplanten (-58,9%) en perk- en balkonplanten (-63,6%).

Het totale areaal glastuinbouw is in diezelfde periode (2007-2013) gedaald, maar het overgebleven areaal bevindt zich op grotere bedrijven. In 2007 was nog maar negen procent van de tomatenbedrijven bijvoorbeeld groter dan vier hectare, terwijl dat percentage in 2013 al 46 procent bedraagt. Eenzelfde evolutie is vast te stellen bij sla-, azalea- en aardbeibedrijven. Dat alles blijkt uit cijfers van onder meer AMS, FOD Economie, VBT en ADLO, voorgesteld door Marleen Mertens van het Departement Landbouw & Visserij.

“Aangedreven door deze schaalvergroting, zijn de sleutelwoorden in de glastuinbouw de laatste vijf jaar specialisatie, automatisatie, innovatie en vooral optimalisatie”, stelt Mertens. “Alle aspecten binnen de teelt en het bedrijf werden/worden geoptimaliseerd: het klimaat in de serre, de teelt zelf, de verwarmingssystemen, de oogst, sortering en vermarkting. Daarvoor werd/wordt beroep gedaan op allerlei nieuwe technologieën en nieuw verworven kennis, zoals WKK’s, plantsensoren, klimaatcomputers, substraten, geïntegreerde teeltmaatregelen, enzovoort.”

Niet alle glastuinbouwbedrijven kiezen echter voor schaalvergroting. Er zijn ook een aantal glastuinders die gekozen hebben voor diversificatie en nichemarkten. Voorbeelden daarvan zijn omschakeling naar asperge-, kruiden-, algenteelt, CSA en zelfpluktuinen. Daarbij wordt vaak gekozen voor lokale afzetkanalen. In de glastuinbouwsector is dus sprake van eenzelfde tweesporenevolutie als in de land- en tuinbouw in het algemeen: sommigen kiezen voor uitbreiding en export, anderen voor verbreding en korte keten.

De uitdagingen die daarbij komen kijken, zijn echter voor iedereen gelijk: het gebrek aan en de hoge kosten verbonden aan energie en ruimte. Wat het eerste betreft (energie), worden al veel inspanningen geleverd. Zo is de glastuinbouwsector een belangrijk verbruiker (46% van het totale gebruik in de land- en tuinbouw), maar ook een belangrijk producent van energie (elektriciteit via WKK’s en zonnepanelen). Bovendien werd massaal overgeschakeld van petroleum naar aardgas. Wat het gebrek aan ruimte betreft, wordt gekeken naar de mogelijkheden van clusterontwikkeling, naast autonome ontwikkeling. De ervaringen daaromtrent zijn uiteenlopend.

Ondanks deze uitdagingen heeft de glastuinbouwsector in Vlaanderen belangrijke troeven achter de hand: de centrale ligging in Europa, het gematigd klimaat, voldoende water, gestructureerde afzetkanalen, een belangrijke kenniscluster, exportgerichtheid, de kwaliteit van de producten en het pionierschap op het vlak van duurzaamheidscriteria en lastenboeken. Daartegenover staan nog de veroudering van de serres en de telers, evenals het kapitaalintensieve karakter en de moeilijke prijsvorming. “Maar desondanks geloven wij in de toekomst van de sector”, besluit Mertens.

De situatie in Zeeland is gelijkaardig. Tussen 2000 en 2003 daalde het aantal glastuinbouw(- en champignon)bedrijven met 6,3 procent. Het areaal daalde eveneens, maar minder sterk. Ook in Zeeland is dus sprake van schaalvergroting. En wat de uitdagingen betreft, lijst Daan van Empel van de Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie (ZLTO) ongeveer dezelfde factoren op als Marleen Mertens: energie, water en prijsvorming, maar ook vergrijzing, nieuwe verdienmodellen en de opwaardering en afzet van reststromen.

Wat het beleidsmatige antwoord op de ruimtekwestie betreft, vallen ook geen grote verschillen tussen de drie vertegenwoordigde regio’s op te merken. In Oost- en West-Vlaanderen wordt gekozen voor een ruimtelijk ‘driesporenbeleid’, in lijn met de Vlaamse principes die in 2003 werden opgesteld: aanvragen van goed gelegen (bestaande) bedrijven worden per geval beoordeeld, binnen bepaalde macrozones wordt glastuinbouw beleidsmatig gestimuleerd, en verder wordt ingezet op de ontwikkeling van glastuinbouwclusters.

In Oost-Vlaanderen heeft dit concreet al geleid tot de bouw van cluster Stokstorm in Deinze, loopt een tweede RUP-procedure voor een gelijkaardige cluster in Melsele, en wordt een strategisch project uitgewerkt voor de verdere ontwikkeling van Lochristi en de omringende gemeenten als ‘bloemenregio’. In West-Vlaanderen loopt dan weer onderzoek naar de ontwikkeling van de macrozone Roeselare en de regio Brugge-Torhout. Verder werden voor de hele provincie afremgebieden ingesteld, transitiegebieden (uitdovend beleid), glastuinbouwvrije gebieden en ontwikkelingsgebieden. Daarbij wordt extra aandacht besteed aan de inbedding in het landschap.

In Zeeland ten slotte werd een omgevingsplan uitgewerkt (2012-2018) dat ‘duurzame ontwikkeling’ en ‘geconcentreerde uitbreiding’ vooropstelt. Concreet wordt de ontwikkeling van glastuinbouw in één zone (Kanaalzone) gestimuleerd, terwijl die elders in de provincie eerder wordt afgeremd. De Kanaalzone groeit echter sneller dan verwacht, waardoor nu moet worden onderzocht of er andere interessante locaties of mogelijkheden zijn. In gebieden buiten de Kanaalzone en buiten de ‘concentratielocaties’ Sint Annaland, Rilland, Kapelle, Sirjansland en Oosterland is uitbreiding van individuele bedrijven mogelijk, mits het beperkt blijft tot twee hectare of mits er elders ruimte gecompenseerd wordt.

Details over het ruimtelijk ordeningsbeleid van de drie regio’s is te vinden in de presentaties van Nele Wauman (Oost-Vlaanderen), Lieven Louwagie (West-Vlaanderen) en Jos Strobbe (Zeeland). De themadag werd georganiseerd door de vakgroep Landbouw, Platteland en Visserij van de Scheldemondraad.

Meer info: alle presentaties zijn terug te vinden op de website van de provincie Oost-Vlaanderen

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via