nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

04.11.2019 Heeft enkel kleinschalige lokale landbouw een toekomst?

In de Vlaamse land- en tuinbouw zie je vandaag grofweg twee bewegingen van enerzijds een kleinschalig lokaal model, met korteketenverkoop, focus op nichemarkten, zelfoogstboerderijen en voedselabonnementen en anderzijds een grootschalig smart farming model dat technologische mogelijkheden omarmt om efficiëntie- en vaak ook milieuwinsten te boeken. Moeten de grootschalige landbouwbedrijven plaats ruimen voor hun kleinschalig agro-ecologisch broertje in het dichtbevolkte Vlaanderen? Of gaan we dan honger lijden? Veldverkenners zocht het uit. Eén ding is zeker, het is geen zwart-wit discussie.
Eén van de suggesties van het Panel voor Klimaat en Duurzaamheid onder leiding van Vlaams bouwmeester Leo Van Broeck en onderzoeker Jean-Pascal van Ypersele was om de schaalvergroting en industrialisering vande Vlaamse landbouw een halt toe te roepen en voluit te kiezen voor een lokale agro-ecologische aanpak. Daarbij worden er geen synthetische meststoffen of bestrijdingsmiddelen gebruikt en is er ook voor gentechnologie zoals ggo’s geen plaats. Is dit de enige weg om de milieu- en klimaatdruk door de Vlaamse land- en tuinbouw te verkleinen?
 
Verschillende onderzoekers reageerden al snel op het klimaatrapport: per kilogram voedsel zou een volledig agro-ecologische landbouw niet minder broeikasgassen uitstoten dan de klassieke land- en tuinbouw. Bovendien is er simpelweg onvoldoende ruimte om met een agro-ecologische aanpak voldoende voedsel te produceren. Een sterk productieve landbouw gecombineerd met herbebossing zou trouwens zo goed als alle landbouwemissies kunnen opvangen.
 
Een voorbeeld om dat inzicht concreet te maken: India en Europa produceren ongeveer evenveel melk. De Indiërs hebben daar echter 122 miljoen koeien voor nodig, terwijl Europa het met 23 miljoen kan. Zelfs als je de uitstoot van ingevoerd krachtvoeder meerekent, is de Europeseuitstoot lager.
 
Welk systeem je ook verkiest: we moeten streven naar een zo laag mogelijke milieu- en  klimaatimpact per kilogram geproduceerd voedsel. In december 2018 bracht het World Resources Institute een rapport uit over Creating a sustainable food future. Daarin focussen experts op drie kloven die we tegelijk tegen 2050 moeten overbruggen. Hoe kunnen we in 2050 vergeleken met 2010 56 procent meer voedselcalorieën produceren om de groeiende wereldbevolking te voeden? Hoe zorgen we ervoor dat we daarvoor over voldoende landbouwoppervlakte beschikken? En hoe doen we dat allemaal met een klimaatneutrale voetafdruk?
 
Om de klimaatkloof te overbruggen, moeten we in Vlaanderen niet alleen de uitstoot van broeikasgassen verminderen, maar ook extra koolstof vastleggen als compensatie voor de resterende uitstoot. De meest efficiënte en goedkoopste manier om dat te doen, is het aanplanten van bossen, stelt onderzoeker Olivier Honnay van de Afdeling Ecologie, Evolutie en Biodiversiteitsbehoud van KU Leuven. Geen enkele vorm van landbouw neemt evenveel koolstof op als een bos. Alleen heb je daarvoor ruimte nodig. Terwijl je bij een transitie naar agro-ecologische landbouw net meer van de al zo schaarse open ruimte voor landbouw nodig hebt omdat je geen synthetische stikstofmeststof gebruikt.
 
Is dan alleen het grootschalige smart farming model zaligmakend? Zeker niet. Verschillen in  schaalgrootte tussen bedrijven zijn ook vanuit bedrijfseconomisch oogpunt wenselijk. Er bestaat zoiets als een bedrijfseconomisch optimale schaal en die is afhankelijk van bedrijfsspecifieke factoren zoals je technische resultaten en je bedrijfsoppervlakte. Eén extra koe kan een omschakelpunt zijn  waardoor je veevoeder moet inkopen. Of waardoor je extra personeel moet inschakelen en je winstmarge krimpt. Daarnaast kan schaalvergroting je bedrijf ook te kwetsbaar maken voor prijsschommelingen op de markt.
 
De belangrijkste uitdaging is dat de landbouw als geheel duurzamer en lokaler wordt. Hoogstwaarschijnlijk lukt dat het best met een combinatie van kleine agro-ecologische en grotere hoogtechnologische bedrijven. De grenzen tussen beide bedrijfstypes zijn ook niet sluitend. Sommige biobedrijven passen precisielandbouw toe en zijn allesbehalve klein. Verschillende grotebedrijven combineren korteketenverkoop met klassieke afzetkanalen. Grootschalige landbouwbedrijven kunnen zeker bijleren van agro-ecologische om de milieu- of klimaateffecten te verminderen. Maar als de technologisering of industrialisering van productieprocessen in de land- en tuinbouw een lagere klimaat- en milieudruk per geproduceerde kilogram voedsel opleveren, dan mogen we daar ook geen schrik voor hebben.
 
Toch is niet iedereen het daarmee eens. Verschillende ngo’s die zich verenigden in het consortium Voedsel Anders staan huiverachtig tegenover de verdere schaalvergroting en industrialisering in de land- en tuinbouw. Zij vinden dat er in de landbouween complete systeemverandering nodig is om een lagere klimaat- en milieudruk te realiseren. De baten van wat vele kleine spelers samen kunnen verwezenlijken, schatten ze hoger in dan die van de technologische vooruitgang die door de agrovoedingsindustrie wordt gestuurd. Ook nu al wordt 70 procent van het voedsel in de wereld geproduceerd door kleine boeren, berekenden ze. Alleen door los te komen van de eenzijdige focus op productiviteitsverhoging, krijgen we de mentale ommekeer die nodig is om onze gronden, onze biodiversiteit en het klimaat niet verder te verstoren.
 
De voor- en nadelen van een keuze voor een kleinschalige landbouw zijn niet zwart-wit in kaart te brengen. De meeste wetenschappers vinden een toekomst met alleen kleinschalige agro-ecologische bedrijven in Vlaanderen geen goed idee. Per kilogram voedsel zou een kleinschalige agro-ecologische landbouw zelfs niet minder broeikasgassen uitstoten dan de gangbare grootschalige land- en tuinbouw. Bovendien lijkt in Vlaanderen de ruimtedruk te hoog voor een exclusief agro-ecologische aanpak. Een sterk productieve landbouw in combinatie met extra bossen zou daarentegen zo goed als klimaatneutraal kunnen zijn. Toch schatten experts van het consortium Voedsel Anders de baten van een aanpassing van het consumptiepatroon en wat vele kleinschalige spelers samen kunnen realiseren, hoger in dan die van een grootschalige technologische vooruitgang die door de industriële actoren wordt gestuurd.
 
Benieuwd naar nog meer feiten en fabels over landbouw en voeding? Lees er alles over in het meest recente Veldverkennersboekje.

Bron: Veldverkenners

Volg VILT ook via