nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

"Veehouderij verdient geen paniekvoetbal"
26.02.2007  Rudy Demotte - minister van Volksgezondheid

Minister van Volksgezondheid Demotte is niet alleen bevoegd voor gezonde voeding en de ziekenhuisbacterie, maar ook de dossiers over de bezettingsgraad in braadkippenstallen en het welzijn van leghennen belanden op zijn tafel. En dan is er ook nog het recente wetsontwerp dat moet leiden tot een moratorium op de pelsdierhouderij. Genoeg redenen voor een gesprek.

Begin vorig jaar heeft u met een website, een tv-spot en enkele brochures het Nationaal Voedingsplan gelanceerd. Voor Test-Aankoop is de aanpak veel te soft. De consumentenorganisatie had verwacht dat u bijvoorbeeld ook de overmatige toevoeging van suikers en de etikettering van voedingsproducten strikt zou reglementeren?
Rudy Demotte: Vergeet niet dat het hele project gestart is met een consumptiepeiling bij de bevolking. Het was al verschrikkelijk lang geleden dat zoiets in ons land nog gebeurd was. De resultaten hebben ons geïnspireerd om een operationeel plan uit te werken dat zeven grote krachtlijnen en zestig concrete acties telt. Een aantal daarvan zijn reeds uitgevoerd, zoals de verspreiding van vijf voedingsgidsen. 22 lokale besturen kregen reeds een erkenning als ‘gemeente in vorm’, met daarbovenop een cheque van 5.000 euro om met hun inwoners te werken rond gezonde voeding en beweging. Daarnaast zijn er ook acties voor specifieke doelgroepen. Zo hebben we richtlijnen uitgewerkt die het opsporen en behandelen van ondervoeding in rusthuizen, ziekenhuizen en in de thuiszorg vergemakkelijken. Samen met de gewesten werken we ook een project uit rond schoolmaaltijden, en er komt een actie rond borst- en babyvoeding. In 2009 volgt een nieuwe consumptiepeiling die dan gericht zal focussen op jongeren. Wanneer de resultaten daarvan bekend zijn, zullen we de effectiviteit van de hele campagne kunnen meten.

Aan wettelijke beperkingen en verbodsmaatregelen voor voedingsproducenten denkt u niet meteen?
Met de voedingsindustrie werd afgesproken dat de sector jaarlijks verslag uitbrengt van de inspanningen die geleverd worden rond gezonde voeding. Dit voorjaar volgt een eerste evaluatie, en dan zien we wel. Voorlopig is er een positieve dialoog en ik ga er ook vanuit dat dit zo blijft: de voedingsnijverheid heeft er zelf immers ook commercieel belang bij om actief in te spelen op de maatschappelijke trend rond gezonde voeding. In het algemeen streven we naar een positief klimaat voor de mobilisatie van maatschappelijke actoren die ertoe bijdragen dat consumenten omschakelen naar gezondere voedingsgewoonten, en we willen dat doen zonder belerend te zijn. Vergeet ook niet dat bijvoorbeeld de reglementering rond etikettering een Europese bevoegdheid is. Gelukkig maar, want veel voedingsbedrijven zijn internationale spelers. Ik begrijp de kritiek van Test-Aankoop ook niet goed omdat ze bij de totstandkoming van het hele plan mee rond de tafel gezeten hebben.

Minder dan de helft van de bevolking eet dagelijks groenten, terwijl in de officiële aanbeveling sprake is van een dagelijkse consumptie van 400 gram groenten en fruit. Wat doet u daaraan?
Wij pleiten voor een gecoördineerde aanpak met andere actoren. Alle organisaties die de promotie van groenten en fruit nastreven, kunnen het logo van het Voedingsplan aanvragen voor hun activiteiten. Het is belangrijk dat de consument coherente boodschappen krijgt, en zelfs dan nog is het heel moeilijk om gewoonten te veranderen. Veel mensen weten dat een evenwichtig voedingspatroon belangrijk is voor hun gezondheid, maar daarom vertalen ze die kennis nog niet naar de praktijk. We moeten echter blijven werken aan die bewustmaking, net zoals aan een beter voedselaanbod in de verschillende milieus waar de consument zijn weg vindt. Daarbij is speciale aandacht nodig voor sociaaleconomisch achtergestelde groepen omdat zij ook inzake voedingsgewoonten het slechtst scoren.

Sinds de zomer van vorig jaar zijn twee ziekenfondsen in zee gegaan met Becel pro.activ. Is dat voor een socialistische minister een voorbeeld dat navolging verdient?
Daarover ga ik me niet uitspreken. De essentie is dat we de mensen overtuigen van het belang van gevarieerde voeding, in combinatie met voldoende beweging.

Uit Nederlands onderzoek valt af te leiden dat mogelijk ook de Vlaamse varkenshouderij een kweekvijver is van de ziekenhuisbacterie MRSA. Bent u geschrokken?
Ik ben me ten volle bewust van de mogelijke implicaties voor de volksgezondheid en de diergeneeskundige sector. Maar paniekvoetbal gaan we zeker niet spelen, daarvoor is het economisch belang van de veehouderijsector veel te groot. Nog vooraleer de mediaheisa op gang kwam, was er trouwens een rondetafel op het Voedselagentschap en werd door het CODA een onderzoeksproject ingediend. Op 10 januari hebben we een eerste keer alle experts samengeroepen voor een vergadering. Toen werd beslist om op korte termijn een nationaal onderzoek te organiseren. Op basis van de resultaten zal de Hoge Gezondheidsraad voor huisartsen en ziekenhuizen aanbevelingen moeten formuleren in verband met de behandeling van patiënten uit de risicogroep, met name varkenshouders, slagers, dierenartsen en de directe omgeving van deze mensen. Indien nodig zullen ook bijkomende maatregelen genomen worden, maar het is nog veel te vroeg om daarover nu al te speculeren. Die eventuele maatregelen zullen dan gewoon toegevoegd worden aan het lijstje beleidsinspanningen die vandaag reeds gebeuren in de strijd tegen MRSA. Zo werden zeer recent nog campagnes opgestart omtrent handhygiëne en antibioticagebruik.

Volgens dokter Bart Gordts van het AZ Sint-Jan in Brugge zijn er in ons land ook ziekenhuizen die MRSA helemaal niet ernstig nemen.
Het preventiebeleid in de diverse ziekenhuizen zal ongetwijfeld verschillen, maar sinds vorig jaar moeten ze in ieder geval alle MRSA-gevallen rapporteren. Dat zal hen ongetwijfeld stimuleren om het probleem actief aan te pakken.

De onverdoofde biggencastratie staat volop in de schijnwerpers. Is het niet belangrijk dat er een Europese regeling komt voor dit probleem? Dat zou goed zijn voor het maatschappelijk draagvlak van de varkenshouderij en tegelijkertijd wordt hierdoor concurrentievervalsing uitgesloten.
We moeten helemaal niet wachten op Europa. In 2002 hebben de landbouworganisaties en dierenrechtenverenigingen een principeakkoord gesloten. Daarin is sprake van een verbod op onverdoofde castratie in 2006 en een totaalverbod op castratie in 2009, mits aan bepaalde voorwaarden voldaan wordt. Ik stel inderdaad vast dat de eerste deadline op een sisser is uitgedraaid, maar voor mij doet dat geen afbreuk aan het engagement dat is aangegaan om het probleem op te lossen tegen 2009.

GAIA wil dat er intussen een wettelijke verplichting komt om biggen te verdoven.
Een jaar geleden heeft de bevoegde werkgroep van de Raad voor Dierenwelzijn een varkensbedrijf in Nederland bezocht waar de dieren verdoofd worden. Op basis van de conclusies van deze werkgroep kan ik een beslissing nemen, met dien verstande dat ook de gewesten hun fiat moeten geven. Wat in dit dossier vaststaat, is dat verdoving op lange termijn geen goede oplossing is en dat er in 2009 een valabel alternatief voorhanden moet zijn. Alle partijen hebben er belang bij dat de castratie verdwijnt.

Europa is er de voorbije maanden niet in geslaagd om een richtlijn uit te werken voor het dierenwelzijn van braadkippen. Zowel het oorspronkelijk voorstel van de Commissie als het daaropvolgend Fins compromisvoorstel liggen in de prullenmand.
Het heikele punt is de bezettingsgraad in de stallen. Ik pleit daarbij voor een gewicht van 42 kilogram per vierkante meter staloppervlakte. Dat is méér dan hetgeen de Commissie en de Finnen voorstelden, maar niettemin is het een goed compromis tussen het welzijn van de kippen en wat economisch haalbaar is voor onze pluimveehouders. Wel zal ik er op aandringen dat de ingestelde normen dus meteen van toepassing zijn van zodra de richtlijn er komt. Op die manier krijgt de sector meteen de nodige rechtszekerheid. In die optiek hoop ik dat de Duitsers als voorzitter van de Europese Unie zo snel mogelijk met een nieuw compromisvoorstel voor de pinnen komen. Al zal dit waarschijnlijk nog tot maart of april duren omdat het hele dossier moet vertaald worden voor de nieuwe EU-collega’s uit Roemenië en Bulgarije.

In het dossier van de huisvestingsnormen voor leghennen heeft ons land vorig jaar de Europese richtlijn omgezet die de klassieke batterijkooien vanaf 2012 verbiedt. Maar er werd tegelijkertijd een onderzoek opgestart om na te gaan of eventueel ook de verrijkte kooi als alternatief verboden moet worden. Dat onderzoek is intussen afgerond. Wat nu?
De ministerraad heeft een speciale evaluatiecommissie in het leven geroepen die me de nodige conclusies moet aanreiken. Aan de Raad voor Dierenwelzijn werd gevraagd of er nog bijkomend onderzoek nodig is om correcte besluiten te trekken, maar dat blijkt niet het geval te zijn. De bal ligt dus in het kamp van de evaluatiecommissie.

In die commissie zetelen zowel vertegenwoordigers van de vakorganisaties als van dierenrechtenorganisaties. Een consensus ligt dus niet in het verschiet…
Waarom zou dat niet kunnen? Het feit dat ze in diverse adviesgroepen blijven praten, geeft toch aan dat ze zelf geloven dat ze er hun tijd niet nodeloos verliezen. Ze beschikken in elk geval over identiek dezelfde documenten om een oordeel te vormen over de huisvestingsnormen voor leghennen. Aangezien ze geen extra onderzoek hebben aangevraagd, neem ik aan dat beide partijen over voldoende informatie beschikken om tot een compromis te komen. Dat moet in elk geval gebeuren vóór 2010. Mocht de beslissing uitdraaien op een verbod op de verrijkte kooi, dan gaan de verbodsbepalingen in ieder geval pas vijftien jaar later in zodat de kippenboeren voldoende tijd krijgen om hun installaties af te schrijven. Enkel een uitstel van het verbod op klassieke kooien in 2012 is voor mij niet bespreekbaar.

Onlangs kwam u aandraven met een wetsontwerp dat een moratorium wil instellen op de pelsdierenhouderij. In de geschiedenis van de veehouderij is het nooit eerder gebeurd dat een bedrijfstak buiten de wet werd gesteld. Dit is een zeer drastische ingreep.
In het regeerakkoord uit 2003 staat dat we het beleid inzake dierenwelzijn zouden enten op de ‘best practices’ in binnen- en buitenland. In heel wat Europese landen geldt een verbod op pelsdierhouderijen en ik ben van oordeel dat ons land niet kan achterblijven. De voorgestelde ingreep houdt wel degelijk rekening met de economische realiteit en is dus niet zo drastisch: de huidige pelsdierenhouders mogen blijven verder werken tot aan hun pensioen, enkel uitbreiden is niet toegelaten. Het ontwerp moet wel nog goedgekeurd worden door de ministerraad. We leggen het ook voor aan het Overlegcomité.

Indien u het dierenwelzijn inroept om de pelsdierenhouderij uit te sluiten, dan zijn allicht ook de dagen van de foie gras-producenten geteld?
Daar bestaan in elk geval geen plannen voor. Foie gras is immers een voedingsmiddel en geen luxeproduct voor de textielindustrie. Dat is een wezenlijk verschil. Maar u heeft wel een punt: het dierenwelzijn in eenden- en ganzenkwekerijen kan altijd beter. Hiervoor bestaan overigens Europese normen, wat niet het geval is voor nertsenkwekerijen.

Indien Gaia zijn eindejaarscampagnes tegen foie gras nog enkele jaren volhoudt, zal de publieke opinie zich net zo goed massaal afkeren van de leverpastei.
Ik kan niet in een glazen bol kijken.
 

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via