nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

13.11.2019 Mezensterfte te wijten aan honden- en kattenhaar?

Een studie van CLM Onderzoek en Advies in samenwerking met het Nederlands Instituut voor Ecologie (NIOO-KNAW) toont aan dat de koolmezensterfte in de stad waarschijnlijk niet het gevolg is van de bestrijding de buxusmot. Wel vonden ze in totaal maar liefst 26 verschillende pesticiden. In 64 procent van de gevallen ging het om insecticiden, grotendeels stoffen die tegen vlooien en teken gebruikt worden bij katten en honden. Mogelijks zijn jonge mezen in enkele nesten hieraan doodgegaan.
Is de mezensterfte het gevolg van de bestrijding van de buxusmot? Met deze vraag startten onderzoekers van CLM en NIOO-KNAW dit voorjaar een uitgebreide studie naar een mogelijk verband tussen de twee. Ze vergeleken de aangetroffen pesticiden in dode mezenjongen uit de stad en uit het bos.
 
De onderzoekers definieerden drie besmettingsroutes van pesticiden in jonge mezen: via voedsel, huidcontact en van moeder op jong. Huidcontact met honden- en kattenharen werd nog niet eerder beschreven. Het haar van huisdieren, die behandeld worden tegen teken en vlooien, belandt in de nesten. De kale jongen worden door de haren blootgesteld aan de stoffen. In 97 procent van de gevallen, waar deze toegelaten insecticide werd gevonden, kan dit gerelateerd worden aan besmetting via haren. Hiermee lijkt de ‘haarroute’ de meest waarschijnlijke weg waardoor jonge koolmezen insecticiden binnenkrijgen.
 
Volgens CLM is het onwaarschijnlijk dat de mezensterfte veroorzaakt wordt door de bestrijding van de buxusmot. De gevonden concentraties van pesticiden zijn in de meeste gevallen te laag om sterfte van de jonge mezen te hebben veroorzaakt. Ook een studie uit ons land kon eerder geen verband leggen tussen de verhoogde sterfte sinds 2017 en de bestrijding van de buxusmot, die sindsdien massaal aanwezig is.
 
Toch is de mezensterfte in de stad hoger in vergelijking met natuurgebieden. Dat blijkt uit eerder onderzoek. Een verklaring hiervoor ligt in een combinatie van een lagere hoeveelheid insecten, een lagere kwaliteit van de insecten en een lagere overlevingskans van de volwassen mezen.
 
De onderzoekers adviseren particulieren om na het borstelen van hun huisdieren geen haren in de tuin achter te laten. Daarnaast pleiten ze ook voor een betere bewustwording bij particulieren over de gevolgen van het gebruik van pesticiden in de tuin. Zeker omdat veel ziekten en plagen via niet-chemische bestrijding opgelost kunnen worden. Het meest effectieve is nog steeds een totaalverbod voor particulieren.

Bron: Eigen verslaggeving

Volg VILT ook via