nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

24.06.2015 Krijgt plagsel zijn oude landbouwkundige waarde terug?

KU Leuven en Regionaal Landschap De Voorkempen hebben hun oog laten vallen op de landbouwkundige waarde van beheerresten uit natuurgebied. Armere bodems verrijken met koolstofrijk materiaal is geen nieuwe ingeving. Reeds in de middeleeuwen werd materiaal zoals heide- , gras- en bosplagsel uit de woeste gronden meegenomen naar de potstal om nadien gemengd te worden met stalmest. Het verrijkt plagsel werd op de akkers verspreid als organische meststof. Op lange termijn vormden zich zo erg vruchtbare plaggenbodems, in de FAO-bodemclassificatie ook gekend als ‘anthrosols’. Eind 19de eeuw vervingen minerale meststoffen stilaan deze praktijk, waarna plaggenbemesting bijna volledig verdween. Door het gebruik van kunstmest begon het organische stofgehalte van de bodem te dalen zodat plagsel en andere natuurbeheerresten anno 2015 opnieuw in beeld komen als bodemverbeteraar.

Atmosferische stikstofdepositie is één van de oorzaken van vergrassing van heidegebieden. Pijpenstrootje en bochtige smele domineren het heide-ecosysteem steeds meer en staan de begroeiing van de oorspronkelijke vegetatie in de weg. Een intensiever beheer van deze ecosystemen is daarom noodzakelijk om het verlies van typische en zeldzame soorten tegen te gaan. Om de lage nutriëntengehaltes te herstellen, worden door natuurbeschermers technieken zoals plaggen (verwijderen van de bovenste grondlaag met begroeiing), chopperen (ondiep plaggen) en maaien (met afvoer van het maaisel) gebruikt.

Het beheer van ecosystemen brengt dus een verscheidenheid aan reststromen met zich mee, naargelang het type beheer en het vegetatietype dat onder handen wordt genomen. “Helaas bestaat vandaag nog steeds geen afzetmogelijkheid voor deze beheerresten”, zegt Audrey Miserez (KU Leuven). Praktijkonderzoek naar het hergebruik hiervan in de land- en tuinbouw is nog zeer beperkt. Bovendien vormt ook de wetgeving een obstakel door natuurbeheerresten als afvalstroom te beschouwen. Daardoor is het momenteel niet legaal om deze resten zonder vergunning te hergebruiken als grondstof. “Terecht, maar jammer”, vindt Miserez, die meewerkt aan onderzoek om de beheerresten in de land- en tuinbouw te valoriseren.

De land- en tuinbouwsector is zich bewust van het belang van een goede bodemkwaliteit en de organische stof die daarvoor nodig is in de bodem. Hoewel dalende organische stofgehaltes de bodemkwaliteit bedreigen, beperkt de strenge mestwetgeving de mogelijkheden om koolstofrijk organisch materiaal, dat ook stikstof en fosfor bevat, toe te dienen. Miserez en haar collega-onderzoekers van het Proefcentrum voor Sierteelt en het Vlaams onderzoeksinstituut ILVO geloven dat beheerresten het tij kunnen keren. Het project dat zij opgestart hebben, krijgt de medewerking van boomkwekerijen Sylva en Willy De Nolf, potgrond- en substraatleverancier Peltracom en Kwanten & co, een bedrijf uit Zonhoven dat organische reststromen verhandelt.

Naast een diepgaande studie van de verschillende reststromen van natuurbeheer is een geïntegreerde aanpak vanuit de praktijk een vereiste. Vandaag tracht iedere schakel van de keten zijn eigen rendement te verhogen, wat een negatieve impact heeft op de kwaliteit van de beheerresten en bijgevolg het potentieel ervan als bodemverbeteraar. Andere sociale en wetgevende obstakels houden het hergebruik tegen. “Aanbieders van beheerresten, verwerkende bedrijven, land- en tuinbouwers, onderzoeksinstellingen alsook overheidsinstellingen moeten samenwerken om zo van materiaalhergebruik een realiteit te maken en de opportuniteiten volop te benutten”, klinkt het ambitieus.

Verschillende projecten werden daarom opgestart. Het Heath4Peat-project, geleid door KU Leuven, focust op de sierteelt. De sector is voor de vollegrondteelten op zoek naar een bodemverbeteraar rijk aan organische koolstof, maar waarvan het mineralisatieproces gestuurd kan worden in functie van de teelt. Voor de containerteelten stelt zich het probleem van veenafhankelijkheid. De zoektocht naar veen-arme potgrondsubstraten gaat verder en beheerresten vormen een mogelijke oplossing.

Verder is er het voorbeeldproject ‘Bodemverbetering door samenwerking landbouw en natuur’, dat op poten werd gezet door Regionaal Landschap De Voorkempen. Het doel hiervan is om de kansen en knelpunten van het gebruik van plagsel in de landbouw in kaart te brengen en de win-winsituatie te benadrukken. Het onderwerken van plagsel blijkt in de praktijk niet evident. Een praktijkproef moet toelaten de onduidelijkheden aan te pakken en de effecten van het plagsel op de bodemkwaliteit en plantengroei te bestuderen. Maïs is in deze proef het gewas waarmee geëxperimenteerd wordt. In het najaar volgt een resultatenbrochure waarin het project en de resultaten ervan voorgesteld worden.

Het afzetten van beheerresten in verschillende sectoren, afhankelijk van de noden van de planten en de bodem, kan dus een win-winsituatie opleveren, zo wijzen de voorlopige resultaten van beide onderzoeken uit. De winst zit hem in de lokale verwerking van de beheerresten en de verhoging van het organische stofgehalte in de bodem. “Hopelijk krijgen de beheerresten uit natuurgebied zo een nieuwe en veelbelovende toekomst in de land- en tuinbouw, gebaseerd op de eeuwenoude praktijken van onze voorouders”, besluit Audrey Miserez.

Bron: |

Beeld: Heath4Peat

In samenwerking met: KU Leuven, Technologiecampus Geel

Volg VILT ook via