nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

18.07.2019 Mestbank reageert op verzuchtingen inzake vanggewassen

Het Vlaamse mestbeleid dicht groenbedekkers zoals gele mosterd, bladrammenas of raaigras ook een rol toe als ‘vanggewas’ dat in het najaar de stikstof opneemt die niet door het landbouwgewas is benut. Daarin verschilt het zesde mestactieplan niet van zijn voorgangers. Nieuw is wel de verplichting om in bepaalde gebieden meer vanggewas te zaaien dan in het verleden gebeurde. Landbouwers zijn niet gerust in de praktische uitvoerbaarheid daarvan, getuige de kritiek die de West-Vlaamse afdeling van Groene Kring uitte na afloop van de infosessie over MAP6 in Brugge. De Mestbank, onderdeel van de Vlaamse Landmaatschappij, legt uit waarom er in de gebieden met een ondermaatse waterkwaliteit van elke landbouwer een inspanning wordt verlangd, ook wanneer dat niet evident is in het licht van een teeltplan of onfair aanvoelt omdat het grote doelareaal een gevolg is van inspanningen die in het verleden al werden geleverd.

Boeren en tuinders die zuinig omspringen met hun akkers weten wat ze aan een nateelt van een groenbedekker hebben in functie van de bodemvruchtbaarheid. De Vlaamse overheid is op zijn beurt gewonnen voor velden die in het najaar eerst groen en vervolgens vaak geel kleuren van de mosterd of zonnebloemen. Beleidsmatig zijn er twee redenen om van groenbedekkers te houden: enerzijds passen ze in de vergroening die Europa met zijn landbouwbeleid beoogt, anderzijds zijn ze als ‘vanggewas’ belangrijk voor het Vlaamse mestbeleid in uitvoering van de Europese Nitraatrichtlijn. De term vanggewas slaat op de kwaliteit van een groenbedekker om de stikstof die een landbouwgewas tijdens het seizoen niet benutte in het najaar uit de bodem te halen. Zo kan die stikstof niet uitspoelen en blijft de waterkwaliteit gevrijwaard.

Het mestbeleid gaf altijd al een extra impuls aan de teelt van groenbedekkers, maar het nieuwe mestactieplan gaat daar nog een stap verder in. De stap te ver, menen veel landbouwers die de infosessies over MAP6 bijwoonden. Op VILT.be vatte Bram Van Hecke, voorzitter van Groene Kring, de kritiek van zijn West-Vlaamse leden als volgt samen: “Waar de waterkwaliteit onvoldoende is, moeten landbouwers tussen nu en 2022 meer vanggewassen zaaien dan ze de voorbije jaren deden. Dat is niet haalbaar voor alle bedrijven of in alle situaties. Neem nu een jonge landbouwer die de kaart van akkerbouw trekt en daarom meer korrelmaïs gaat oogsten. Na kuilmaïs die vroeger gehakseld wordt als ruwvoeder voor de koeien kan je nog een vanggewas zoals gras zaaien. Na een late oogst van korrelmaïs lukt dat niet meer.” De uitwerking van de vanggewasverplichting – met een referentiepercentage dat gebaseerd is op het gemiddelde areaal vanggewassen in de periode 2016-2018 – geeft de jonge West-Vlaamse landbouwers bovendien het gevoel dat een extra inspanning in het verleden nu niet beloond maar afgestraft wordt.

Tijdens de infosessies in andere provincies werden soortgelijke opmerkingen gemaakt in verband met de haalbaarheid van de vanggewasverplichting en de op het eerste gezicht weinig faire verdeling van de extra last tussen landbouwers. Daarom wil de Vlaamse Landmaatschappij er graag op reageren, bij monde van het afdelingshoofd van de Mestbank Bart De Schutter: “MAP6 zet in op een uitbreiding van het areaal vanggewassen vanwege de effectiviteit van deze maatregel om uitspoeling van nutriënten tegen te gaan. Vooreerst is er de basismaatregel. Op alle percelen in gebiedstype 1, 2 en 3 waar de hoofdteelt uiterlijk op 31 augustus geoogst is, moet er uiterlijk op 15 september een vanggewas ingezaaid worden. Tenzij er een nateelt wordt ingezaaid. De verplichting om extra vanggewassen te zaaien in de gebiedstypes 2 en 3, waar nog werk aan de winkel is voor een betere waterkwaliteit, vertrekt van een individueel referentiepercentage. Dat is een beleidskeuze met voor- en nadelen zoals er ook plus- en minpunten zijn aan het alternatief dat overwogen werd: een basisreferentiepercentage dat van toepassing is voor alle landbouwers in een bepaald gebied.”

De Schutter legt uit dat in het laatste geval geen rekening gehouden wordt met de inspanningen uit het verleden. Voor een landbouwer die weinig vanggewassen inzaaide, zal de inspanning in dergelijk geval heel groot zijn. Voor een ander kan hetzelfde doen als de voorbije jaren volstaan, of mogelijk kan het zelfs met minder. “Het is de keuze van de beleidsmakers om alle landbouwers een extra inspanning te laten leveren door het percentage vanggewassen voor iedereen met percelen in gebiedstypes 2 en 3 gelijk te verhogen. Dat heeft inderdaad als nadeel dat een landbouwer die altijd al veel vanggewassen zaaide na de verhoging met een heel hoog streefcijfer zit. Bij de bepaling van het geïndividualiseerde percentage per landbouwer voorziet de wetgeving wel in een correctie voor landbouwers die in het verleden heel erg hun best deden, of integendeel heel weinig vanggewassen zaaiden. Het referentiepercentage bedraagt namelijk minimaal 20 procent, en het doelareaal wordt afgetopt op 80 procent van de oppervlakte bouwland in de gebiedstypes 2 en 3.”

Landbouwers zijn verrast door de onmiddellijke inwerkingtreding van MAP6, die onder meer tot gevolg heeft dat hun teeltplanning niet voorzien is op een eventuele uitbreiding van het bedrijfsareaal vanggewassen. Voor 2019 is de toename van het areaal vanggewassen nog vrij beperkt: 0 procent in gebiedstype 2 zodat het aanhouden van het gebruikelijke areaal vanggewassen op bedrijfsniveau volstaat; in gebiedstype 3 moet een toename van 5 procent gerealiseerd worden. “Het extra areaal mag zowel op percelen in gebiedstype 2 als op percelen in gebiedstype 3 ingezaaid worden”, verduidelijkt het afdelingshoofd van de Mestbank. “In het Mestdecreet zijn ook alternatieven voorzien. Zo kan in 2019 een groenteteler vrijgesteld worden van de toenemende vanggewasverplichting, door het KNS-systeem voor bijbemesting toe te passen op zijn percelen.”

Een ander alternatief, dat een uitkomst kan bieden indien de vanggewasverplichting niet verzoenbaar is met een teeltplan, is de overeenkomst die een landbouwer kan sluiten met een collega die voor hem het extra areaal vanggewassen zaait. “De deadline voor het melden van een vanggewasovereenkomst is uitgesteld tot 31 augustus”, brengt Bart De Schutter in herinnering. Begin augustus informeert de Vlaamse Landmaatschappij landbouwers over het areaal vanggewassen dat ze dit jaar op hun bedrijf moeten realiseren. Met die informatie kunnen ze hun teeltplan narekenen. Ofwel is de uitkomst dat het doelareaal vanggewassen realiseerbaar is het op eigen bedrijf, ofwel kan het nodig zijn om de hulp van een collega in te schakelen via een vanggewasovereenkomst. Die collega realiseert dan in eerste instantie het eigen doelareaal vanggewassen, en zaait in functie van zo’n overeenkomst enkele percelen extra met een vanggewas.

Naargelang het individuele referentiepercentage, het teeltplan voor 2019 en het aantal hectaren in de gebiedstypes 2 en 3 kunnen landbouwers dit jaar voor een kleine of een grote uitdaging staan. Tijdens de infosessies haalden landbouwers, zoals de jonge leden van Groene Kring in West-Vlaanderen, vooral praktische moeilijkheden aan die verband houden met hun teeltplan. Voor een bedrijf met specialisatie in bewaaraardappelen of korrelmaïs lijkt het immers lastig om meer vanggewassen te telen die in regel voor 15 september gezaaid moeten worden, of uiterlijk op 15 oktober wanneer het percelen niet-vroege aardappelen of maïs betreft. Gelet op de uitweg die de vanggewasovereenkomst biedt, mag ‘praktisch moeilijk’ of ‘lastig’ hier niet begrepen worden als ‘onmogelijk’. Dat houden landbouwers best voor ogen wanneer ze zich afvragen hoe streng de Mestbank in jaar één van MAP6 zal handhaven!

“We verwachten dat iedereen al het mogelijke doet om zich in regel te stellen met de maatregelen die al in 2019 van kracht zijn. Landbouwers die niet voldoen aan hun verplichting inzake vanggewassen riskeren een boete van 250 euro per hectare. De niet-gerealiseerde oppervlakte vanggewassen moeten zij het jaar daarop inhalen”, herhaalt De Schutter de boodschap die tijdens de infosessies gegeven werd. Tegen een boete kan uiteraard bezwaar worden ingediend. De Mestbank zal dan de aangebrachte argumenten en stukken zorgvuldig beoordelen.

Tot 14 juli hadden landbouwers de mogelijkheid om een vrijstelling van de vanggewasverplichting en andere gebiedsgerichte maatregelen aan te vragen. In ruil moeten ze dit najaar op eigen kosten nitraatresidustalen nemen en zo bewijzen dat ze op hun bedrijf verstandig omspringen met meststoffen. Bij een positieve evaluatie zijn ze dan vrijgesteld vanaf 2020. De landbouwers die al over een vrijstelling beschikken, zijn reeds in 2019 vrijgesteld van de vanggewasverplichting en de andere gebiedsgerichte maatregelen.

In het verleden hebben de weersomstandigheden al dwarsgelegen bij het tijdig inzaaien van vanggewassen. Nu smeken de landbouwgewassen om water, maar het zou zomaar kunnen dat de velden over een maand onberijdbaar nat zijn. Of dat ze nog altijd zo droog zijn dat het zaaien van een vanggewas gedoemd is te mislukken. Veel landbouwers vragen zich dan ook af hoe ze de grillen van de weergoden moeten rijmen met het rigide mestbeleid. Het antwoord daarop vinden ze in de lijst met veel gestelde vragen op de website van VLM: “Als zich uitzonderlijke weersomstandigheden voordoen, zal op dat moment beslist worden hoe hiermee wordt omgegaan.” Daarbij heeft men wel degelijk oog voor de haalbaarheid van deze verplichting op het terrein. Denk maar terug aan vorig jaar, toen voormalig minister Joke Schauvliege de deadline tien dagen opschoof omdat de gortdroge zomer de stoppelbewerking en het zaaien van vanggewassen hypothekeerde.

Meer info: VLM-fiche vanggewasregeling 

Bron: eigen verslaggeving

Beeld: Vlaamse Landmaatschappij

Volg VILT ook via