nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  


26.04.2011  Genetische modificatie

LG25_GGO_01.jpg"Je kunt moeilijk tegen de techniek zijn"
Over ggo’s doen nog altijd heel wat misverstanden de ronde. Professor Lieve Gheysen, specialiste in moleculaire biologie en biotechnologie aan de Universiteit Gent, antwoordt op de vaakst gehoorde vragen.

Zijn we zeker dat ggo’s niet schadelijk zijn voor de gezondheid?
De goedgekeurde ggo-variëteiten worden alleszins op onnoemelijk veel vlakken wetenschappelijk getest. Maar wanneer heb je 100 procent zekerheid over een nieuw product? Dat geldt evengoed voor nieuwe variëteiten uit natuurlijke kruising. Want sommige ggo’s verschillen amper van wat je ook via kruising kunt verkrijgen, alleen duurt het dan bijvoorbeeld 40 in plaats van 4 jaar. De ene ggo is ook de andere niet. Er is een breed spectrum van hoe verschillend het genetisch materiaal is dat je in een plant binnenbrengt. Hoe erg lijken de planten op elkaar? Breng je dierlijk materiaal in bij een plant? Men zegt ook dat DNA overbrengen kunstmatig is, maar voor bacteriën is het een natuurlijk proces om DNA-materiaal uit te wisselen. Akkoord, normaal gebeurt dat zelden tussen een bacterie en een plant. Toch bestaat er ook een tabaksvariant waarin je bacterieel DNA aantreft in compleet gezonde planten. In alle wetenschappelijke tests is nog geen enkel bewijs opgedoken van een ggo die schadelijk bleek te zijn. Eén keer was er een ggo waarbij DNA van noten ingebracht was. Die bleek net als noten bij bepaalde mensen allergieën uit te lokken. Alle andere berichten over schade aan de gezondheid bleken achteraf stuk voor stuk wetenschappelijk niet gegrond.

Hebben ggo’s geen negatieve impact op de biodiversiteit en de natuur?
Dat is een eindeloze discussie die gevoerd moet worden per ontwikkelde ggo. Ik vind in het algemeen trouwens dat je moeilijk tegen de wetenschappelijke techniek van genetische aanpassing kunt zijn. Je kunt problemen hebben met bepaalde ggo-toepassingen of met de manier waarop sommige overheden het gebruik van ggo’s wettelijk hebben geregeld. Maar er zijn zo veel verschillen van ggo tot ggo. Ook voor wat betreft de impact op de biodiversiteit. Als de onkruiddruk daalt door een ggo, zal je minder moeten sproeien. Maar minder onkruid kan ook betekenen dat sommige insecten het moeilijk krijgen. Hierbij stel ik me overigens de vraag of je biodiversiteit op of naast een akker moet meten. Sommigen vrezen ook dat een ggo-variëteit resistent zou worden tegen alle gangbare herbiciden. Maar dat gevaar lijkt me niet groter dan bij de conventionele planten. Bovendien is dat vooral een probleem voor de landbouw en de ggo-fabrikant, die daar snel genoeg een oplossing voor zal vinden. Wat wel een impact kan hebben op het leefmilieu en dan vooral de lokale biodiversiteit, is dat je een plant droogteresistent of zouttolerant maakt. Maar hierbij komt het erop aan om de voor- en nadelen voor het ecosysteem in kwestie af te wegen.

Zijn de toelatingsprocedures voor ggo’s streng genoeg?
De controles in de EU zijn alleszins zéér strikt, zelfs voor ggo’s die in andere regio’s al lang worden gebruikt. Nochtans zijn de bedrijven die ggo’s op de markt brengen, al erg streng voor zichzelf. Niemand wil het risico lopen dat een gezondheidsclaim de toekomst verknalt voor een product waarin zo zwaar geïnvesteerd is. Je doorloopt 101 stappen van ontwikkeling naar serre- en veldproef. Voor voedingsproducten zijn er ook dierproeven, meestal eerst op ratten, dan op koeien of andere dieren die dichter bij de mens staan. Het klopt dat veel van die onderzoeken worden gedaan door het bedrijf dat de ggo ontwikkelt, maar dat is ook bij de ontwikkeling van geneesmiddelen zo. Het is een kwestie van budgetten. Goed om weten is ook dat alle resultaten wel openbaar zijn en dat de European Food Safety Authority (EFSA) alles van kortbij volgt.

Dreigen ggo’s niet vooral in het voordeel te spelen van een paar grote firma’s?
De meeste ggo’s worden ontwikkeld met een commerciële doelstelling voor ogen. Maar de ontwikkelaars weten goed dat een ggo alleen ingang zal vinden als ook landbouwers, milieuliefhebbers of de maatschappij als geheel er voordeel bij hebben. Het klopt dat een paar spelers zich stevig op de ggo-markt positioneren. Al verschilt de situatie niet zo veel van die in de conventionele landbouw. Er gebeurt ook veel onderzoek door universiteiten, waarbij het nog afwachten is hoe dat zal worden gecommercialiseerd. Als kleinere speler beschikt een universiteit niet over dezelfde middelen als multinationals. Overigens maakt de strenge regulering het in zekere zin wel extra moeilijk voor kleinere bedrijven om een ggo te ontwikkelen.

Klopt het dat je ggo-zaden niet kunt vermeerderen?
Dat is een hardnekkig misverstand. Er is bij mijn weten geen enkel steriel ggo-zaad op de markt. Bij een van de eerste ggo-variëteiten voor soja was het zaad inderdaad steriel gemaakt, maar dat heeft niets met de techniek van ggo’s te maken. Voor veel gewassen speelt die vraag sowieso niet. Bij maïs zorgen hybride zaden sinds jaar en dag voor een hogere opbrengst, waardoor niemand dus met eigen zaad voortwerkt. Dat blijft zo bij ggo’s.

Kunnen merkers in ggo’s de antibioticaresistentie in de hand werken?
Dat risico is verwaarloosbaar in het geval van de meest gebruikte en veel bediscussieerde kanamycineresistentie. Het klopt dat men bij ggo’s vaak zogenaamde merkers binnenbrengt in de vorm van een stukje antibioticaresistent DNA. Op die manier zie je snel bij welke planten de genetische aanpassing goed is verlopen: alleen die planten die het antibioticum in kwestie overleven. Zo weet je als onderzoeker op welke planten je verder moet werken. Meestal worden de merkers er opnieuw uitgeselecteerd voor een product wordt gecommercialiseerd, maar heel soms is er nog een stukje van terug te vinden. Het gaat echter altijd om antibiotica waarvan de resistentie al zo wijd verspreid is, dat dit geen impact meer heeft.

Is het toelaten van ggo’s een bedreiging voor de biologische landbouw in Vlaanderen?
De biosector heeft veel schrik van ggo’s, terwijl de Europese en Vlaamse wetgeving uitdrukkelijk de keuzevrijheid wil bieden aan telers om al dan niet ggo-vrij te produceren. De sector heeft het meest problemen met de tolerantiedrempel van 0,9 %. Dat betekent dat alle producten waarin minder dan 0,9 % ggo’s worden aangetroffen, als ggo-vrij worden bestempeld en niet onder de etiketteringsplicht vallen. Een dergelijke drempel is nodig omdat nultolerantie door bijvoorbeeld meetfouten, vermenging van zaden of vervuiling bij transport, onmogelijk is. Ook voor de invulling van de isolatieafstanden dringt de biolandbouw aan op zo veilig mogelijke isolatieafstanden.

Ontdek op www.vilt.be ook het interview met professor Geert Haesaert van de UGent over de voor- en nadelen van ggo’s.

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via