nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

02.06.2020 Weldra minder gewasbescherming nodig bij slateelt?

In de intensieve serreteelt van kropsla kan de juiste identificatie van aanwezige bodempathogenen én de pas verworven inzichten in hun beschadigingskracht helpen om de slaplanten gezond groot te krijgen met minder pesticiden. Technieken als gewasrotatie, braak leggen, bodemontsmetting en geïntegreerde bestrijding kunnen werken als je heel precies weet wat er in welke hoeveelheid zit aan aaltjes en/of welke schimmels voorkomen Dat is de hoopgevende conclusie in het ILVO-UGENT doctoraat dat Jolien Claerbout onlangs online verdedigde.

Kropsla is een belangrijk groente op de Belgische markt met een omzet van 27,1 miljoen euro in 2018. De Belgische productie wordt gekenmerkt door zware kroppen met een hoge kwaliteit. Sla wordt voornamelijk in grond in serres geteeld in een intensief productiesysteem met tot vijf oogsten per jaar. Deze intensieve productie leidt echter tot een verhoogde kans op ziektes van verschillende bodemgebonden plantenpathogenen, waaronder schimmels, pseudo-schimmels en aaltjes.

De belangrijkste aaltjes in de slateelt beschadigen het wortelstelsel en verminderen de groei van de krop. Ook verrotting van de oudste bladeren, ook wel smet genoemd, is een belangrijke ziekte in Belgische sla. Deze schimmels worden op dit moment hoofdzakelijk bestreden met chemische grondontsmetting en gewasbeschermingsmiddelen. Sinds 2015 wordt ook een schimmel in verschillende serres in België geobserveerd die ernstige verwelking veroorzaakt. Voor deze schimmel zijn momenteel geen effectieve beheersingsmaatregelen beschikbaar, waardoor het huidige productiesysteem onder druk komt te staan.

Ziektes in serrebodems worden dus grotendeels onder controle gehouden met gewasbeschermingsmiddelen, maar Europese richtlijnen nopen tot duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, en telers moeten beroep doen op geïntegreerde gewasbescherming. Bovendien wordt het gebruik van pesticiden in de sector met rasse schreden teruggedrongen. Dat maakt dat slatelers op zoek naar andere manieren om de ziekteverwekkers in de bodem de baas te blijven.

En daar is kennis voor nodig, over de identiteit en de eigenschappen van de ziekteverwekkers, over de effectiviteit van strategieën voor ziektebeheer en over de slateelt zelf. In haar doctoraatsonderzoek richtte Jolien Claerbout zich dus op de verspreiding van aaltjes, pseudo-schimmels en schimmels, verdiepte zich in de voor- en nadelen van een intensief slaproductiesysteem, en voerde sterkte-zwakteanalyses uit op pesticiden en biopesticiden.

Commerciële serres zijn vaak dichtbevolkt met bodemaaltjes, met schade aan het gewas als gevolg. Uit de resultaten van het onderzoek van Jolien Claerbout blijkt dat een populatietoename van aaltjes kan worden voorkomen met beheersingsmaatregelen zoals vruchtwisseling, grondontsmetting of braak. De mate en het type schade is sterk afhankelijk van het soort aaltje en de aangetroffen aantallen.

Om schimmels en pseudo-schimmels uit te schakelen, gebruiken slatelers vaak het hele jaar door standaard spuitschema’s gericht tegen alle (pseudo-)schimmels. Om na te gaan of het gebruik van fungiciden kon worden verminderd door alleen de actieve schimmel te beheersen, werd een proef opgezet waarbij sla continu werd gekweekt zonder enige fungicidentoepassing in drie serres van de partner-praktijkcentra (Inagro, PCG, PSKW). De ziekteverwekkers die smet veroorzaakten, werden geïdentificeerd zodra de symptomen zichtbaar waren.

Het voorkomen van smetpathogenen bleek voornamelijk serrespecifiek te zijn en de verschillende smetpathogenen waren het hele jaar door actief. Deze resultaten tonen aan dat het spuitschema voor fungiciden moet worden aangepast aan de ziekteverwekkers die in de serre voorkomen, eerder dan toepassingen te beperken tot een bepaalde periode.

Fusarium, de schimmel die ernstige verwelking veroorzaakt en sinds 2015 opduikt in serres, is een buitenbeentje, omdat er momenteel geen voldoende beheersingsmaatregelen beschikbaar zijn. Het onderzoek van Jolien Claerbout geeft meer duidelijkheid over de oorsprong van de ziekte, dankzij genetische analyse.

De intensieve slaproductie is een gangbare praktijk, maar leidt tot een hogere kans op bodemgebonden plantenziektes. Toch wordt die praktijk nog op grote schaal toegepast, vooral vanwege de uitgesproken kostenefficiëntie. Maar kan het anders? In haar doctoraatsonderzoek bespreekt ze daarom alternatieven zoals hydrocultuur of een systeem-gebaseerde benadering van pathogenen voor de grondteelt.

Jolien Claerbout voerde daarnaast samen met de projectpartners een sterkte-zwakte analyse uit van pesticiden en microbiële pesticiden. Deze laatste zijn zeer veelbelovend, omdat ze een goed ecotoxisch profiel hebben, minder residuen achterlaten op de slakrop, langzame tot geen resistentieontwikkeling vertonen, de bodemweerbaarheid verhogen en mogelijks een effect op lange termijn hebben. Het grootste struikelblok voor een meer algemene toepassing is de nood aan verhoging van effectiviteit (via onderzoek) en de verbetering van toepassing, zodat voedselveiligheid en slakwaliteit kunnen worden gewaarborgd.

“De ziektebeheersing in het intensieve slaproductiesysteem is een complexe uitdaging. Het is nog moeilijker geworden door de komst van Fusarium. Hierdoor worden de telers gedwongen om het productiesysteem zélf te herbekijken en aan te passen. Daarom wordt onze soort van onderzoek zo belangrijk: namelijk gecombineerde effectstudies van teeltingrepen en van (nog) beschikbare middelen, én monitoring en identificatie van oprukkende pathogenen,” besluit Jolien Claerbout.

Bron: |

In samenwerking met: ILVO

Volg VILT ook via