nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

Voederveiligheid als basisvoorwaarde voor voedselveiligheid
01.06.2015  OVOCOM

Een BSE-epidemie in het Verenigd Koninkrijk, een dioxinecrisis in ons land en meer recent problemen met dioxine en aflatoxine in Duitsland en Nederland … zulke voedselveiligheidscrisissen roepen onvermijdelijk nare herinneringen op. Het goede is dat uit elke crisis lessen zijn getrokken zodat de veiligheid van diervoeders en humane voeding er voor de toekomst bij won. Zo was de dioxinecrisis in 1999 de rechtstreekse aanleiding voor de oprichting van het Voedselagentschap én van OVOCOM, het Belgisch overlegplatform voor de diervoedersector. De bewakers van de voeder- en voedselveiligheid zijn met de tijd hun blik meer en meer op Europa en de wereld gaan richten. Zowel grondstoffenstromen als voeders en voeding flirten voortdurend met landsgrenzen. Daarom werd er veel tijd en energie gestoken in de uitwisselbaarheid tussen de eigen kwaliteitsstandaard en de lastenboeken die in het buitenland gehanteerd worden. Tot voor kort met veel resultaat in de diervoederketen, maar nu zijn er tegenkrachten aan het werk. In andere landen, maar ook bij ons, duikt een nationalistische reflex op. Bij onze noorderburen wordt dat nog aangewakkerd door de zuivelindustrie die in een kramp schoot na het voorval met de verontreinigde Oost-Europese maïs.

“Een oerdegelijke kwaliteitsstandaard die gerespecteerd wordt door allen die er mee te maken hebben.” In die termen spreekt Yvan Dejaegher, voorzitter van het Overlegplatform Voedermiddelenkolom (OVOCOM), over de GMP-regeling die de veiligheid van diervoeders garandeert. GMP is het geheel van wettelijke en sectorale eisen voor bedrijven die actief zijn in de productie, de handel of het transport van diervoeders. OVOCOM was de eerste organisatie in ons land die een autocontrolesysteem ter validatie voorlegde aan het Voedselagentschap. De diervoedersector was ook de eerste om in te zien dat een kwaliteitsstandaard over de grens moet durven kijken. Zo niet dreigt de op export gerichte Belgische agrovoedingsindustrie om de oren geslagen te worden met lastenboeken en bijbehorende audits van derde landen die onze afzetmarkt zijn.

De ‘good manufacturing practices’ (GMP) heeft bovenstaande evolutie doorgemaakt en wordt na bijna vijftien jaar omgedoopt tot ‘Feed Chain Alliance’. “Om de verticale ketenbenadering en de internationalisering van de kwaliteitsbewaking meer in de verf te zetten”, zegt de directeur van OVOCOM, Katrien D’hooghe. Naar aanleiding van de nieuwe uitstraling voor de kwaliteitsstandaard blikt D’hooghe samen met voorzitter Dejaegher terug en vooruit. Beiden zijn tevreden dat OVOCOM een stevige reputatie heeft opgebouwd als kenniscentrum op vlak van diervoederveiligheid. Dat is een continue opdracht want de nood aan kennis stijgt naarmate de risico’s in de diervoederketen complexer worden. Oorzaken zijn de verschuiving in de origine van voedergrondstoffen en het toenemend gebruik als veevoeder van nevenstromen (b.v. uit de voedings- en biobrandstofindustrie) met een eigen en vaak dynamisch productieproces.

Myco- en andere toxinen
Nieuwe risico’s die in dat verband opdoemen, zijn bijvoorbeeld verontreinigingen met mycotoxinen (natuurlijke gifstoffen, nvdr.) van maïs die steeds vaker in Oost-Europa ingekocht wordt. Door de weerstand tegen ggo’s moest de mengvoederindustrie immers op zoek naar een andere maïsleverancier dan de Verenigde Staten. Yvan Dejaegher geeft ook het voorbeeld van de monitoring op pesticidenresiduen die aangepast moest worden aan een specifieke grondstof als rijstvoermeel, een bijproduct van de rijstindustrie.

voeder.geVILT.jpg

Complex is ook de risico-inschatting bij het verwerken van een nevenstroom tot diervoeder. Redenen te over dus om als diervoederketen te blijven investeren in een kenniscentrum als OVOCOM. Iedere veevoederfirma opzadelen met de screening van al zijn leveranciers en van uiteenlopende productieprocessen is geen zinnig alternatief. In de wetenschap dat de GMP-standaard gecontroleerd wordt door onafhankelijke derden, auditoren of certificatie-instellingen genaamd, verwerft OVOCOM niet alleen die kennis maar verspreidt ze die ook naar de controlerende instanties door het aanbieden van een uitgebreid opleidingsprogramma.

Verticale ketenaanpak
Iedere schakel in de diervoederketen voor zijn eigen verantwoordelijkheid plaatsen maar tezelfdertijd onderling afspraken maken om tot een werkbare kwaliteitsbewaking te komen, zo gaat OVOCOM te werk. Het ledenbestand van 15 organisaties is illustratief: naast de mengvoederindustrie zijn zowel de voedings-, zuivel- en vettenindustrie als de maalderijen, mouters, graanhandelaars, transporteurs en de binnenscheepvaart betrokken partij. Voorzitter Dejaegher benadrukt dat OVOCOM een vzw is die losstaat van BEMEFA, wat samen met de controles op het terrein door auditoren de geloofwaardigheid van de kwaliteitsbewaking ten goede komt.

Het Belgisch overlegmodel mag als voorbeeld gesteld worden

In eigen land tot een goede samenwerking komen is één, maar datzelfde bereiken binnen het Europese of internationale kader is nog een ander paar mouwen. OVOCOM zorgde eerst en vooral voor uitwisselbaarheid tussen de GMP-standaard in ons land en de GMP+ die onze noorderburen hanteren. Met de lastenboekbeheerders in Duitsland en Groot-Brittannië werden gelijkaardige afspraken gemaakt om een veelvoud aan audits bij (exportgerichte) Belgische toeleveranciers, primaire producenten en verwerkers te vermijden.

Een ander goed voorbeeld van de internationalisering is de oprichting van een online databank die de eisen ten aanzien van wegtransport in bulk van diervoederproducten harmoniseert en ontsluit. “Elk diervoederproduct dat getransporteerd wordt met een vrachtwagen heeft een eigen reinigingsregime: droog, nat, met reinigingsmiddel of als het erg grondig moet een ontsmetting. Sommige producten mogen gewoonweg niet getransporteerd worden in een vrachtwagen die ingezet wordt voor diervoeders. Transporteurs kunnen daarvoor te rade gaan bij de databank van ICRT”, legt Katrien D’hooghe uit.

Autocontrole in een internationaal perspectief
“Enkel op nationaal niveau aan diervoederveiligheid werken, heeft geen zin”, concludeert Yvan Dejaegher. Het ideale scenario is dus dat er internationaal samengewerkt wordt en alle landen aan dezelfde snelheid vooruitgang boeken op vlak van voeder- en voedselveiligheid. Eigenlijk zou daar geen discussie over mogen zijn, maar het tegendeel blijkt waar. “Het overlegmodel waar we sterk in geloven, staat Europees/internationaal onder druk”, klaagt de voorzitter van OVOCOM aan.

Autocontrole, waarbij de sector zelf instaat voor de kwaliteitscontrole, is om te beginnen niet overal even populair. Dat resulteert in EU-lidstaten die voorloper zijn (o.a. België en Nederland), naast lidstaten waar een autocontrolesysteem nog in ontwikkeling is en landen zoals Denemarken en Zweden waar autocontrole afgewezen wordt omdat de overheid naar verluidt de beste waakhond is. Een nog groter probleem is dat er hoe langer hoe meer een nationalistische reflex de kop opsteekt die de gesprekken over uitwisselbaarheid van kwaliteitsstandaarden bemoeilijkt. Voor de op export gerichte Belgische agrovoedingsketen is dat uiteraard niet prettig.

melkveestal.onderzoeksstal.ILVO_geVILT.jpg

Meestal wordt zo’n aanklacht de wereld in gestuurd zonder een kat een kat te noemen maar OVOCOM-voorzitter Yvan Dejaegher zit er niet om verlegen onze noorderburen op deze manier aan te spreken. België en Nederland hebben een lange geschiedenis van samenwerking, maar recent gebeurt er één en ander dat de goede verstandhouding verstoort. Dejaegher hoeft tot zijn eigen spijt niet ver te zoeken naar voorbeelden. Na de ‘privatisering’ van de lastenboekbeheerder werd de Nederlandse kwaliteitsstandaard GMP+ (met succes) internationaal uitgedragen en ook in landen overzee geïmplementeerd. Wereldwijd, van Europa tot Latijns-Amerika en China, zijn er meer dan 12.000 bedrijven GMP+ gecertificeerd. Eén unieke standaard handhaven, werd daardoor moeilijk maar bij OVOCOM constateert men dat de spanning tussen de generieke standaard GMP+ en de bijkomende eisen die daar naargelang het land op ‘geënt’ worden steeds groter wordt.

Zorgenkind Nederland
Het beste voorbeeld is de bakermat van GMP+, Nederland. Zo’n landennota specifiek voor Nederland stipuleert namelijk dat de eigen mengvoederfabrikanten voor de binnenlandse markt geen medicinale voeders mogen produceren die antibiotica bevatten. Op de koop toe wordt de Belgische aanpak – aparte productielijnen voor medicinale voeders en (zware) investeringen in fijndoseersystemen om te vermijden dat er contaminatie is van gangbare voeders – niet aanvaardt. Yvan Dejaegher en Katrien D’hooghe maken zich dan ook grote zorgen over de praktische consequenties voor mengvoederfabrikanten die in België en Nederland actief zijn.

De ergernis nam nog toen begin dit jaar ‘SecureFeed’ werd opgericht in Nederland. In de missie van de recent opgerichte organisatie lezen we dat SecureFeed werkt aan vertrouwd en veilig voedsel van dierlijke oorsprong. Verder luidt het: “Met tijdige onderkenning van risico’s en het nemen van passende maatregelen borgt SecureFeed samen met haar deelnemers de voedselveiligheid van voedermiddelen, mengvoeders en toevoegingsmiddelen die rechtstreeks aan veehouders worden geleverd.”

Gebrek aan communicatie in Nederland heeft geleid tot een taskforce van voedselvertrouwen

Achter dit op het eerste gezicht goed bedoelde initiatief gaat veel getouwtrek schuil. Yvan Dejaegher: “In Nederland is onder druk van de politiek een ‘taskforce voedselvertrouwen’ opgericht, waaruit je kan afleiden dat wantrouwen zich meester heeft gemaakt van de voedselketen.” Aanleiding daarvoor is de met alfatoxine verontreinigde maïs uit Oost-Europa die in Nederland, net zoals in Duitsland overigens, verwerkt werd tot veevoeder. Vlees van een dier dat verontreinigd voeder vrat, neemt de natuurlijke gifstof niet op. In melk kan je wel aflatoxine terugvinden – de melk van een 200-tal bedrijven moest vernietigd worden – zodat de zuivelindustrie zeer zwaar tilde aan het voorval. Het gevolg laat zich raden. De Nederlandse zuivelindustrie stuurde aan op ‘SecureFeed’ om alle leveranciers van diervoeder aan melkveehouders in beeld te krijgen, overigens ook de leveranciers van (vochtige) nevenstromen die lang een blinde vlek waren. Een fabrikant of handelaar die niet aangesloten is, mag simpelweg geen voeders leveren aan de melkveehouderij in Nederland.

Tot welke problemen dat kan leiden, maken D’hooghe en Dejaegher met enkele voorbeelden duidelijk: “Een Belgische voederfabrikant zou in de toekomst melkveehouders van FrieslandCampina Nederland niet mogen beleveren terwijl hetzelfde voeder voor de Belgische melkproducenten van FrieslandCampina geen probleem stelt. En een firma die op Belgisch en Nederlands grondgebied voeders produceert voor beide markten zou beide voederstromen aan bijkomende voorwaarden moeten onderwerpen. Als dit niet in gunstige zin verandert, dan zal het kostprijsverhogend werken. De Nederlandse zuivelindustrie zou moeten inzien dat de melkveehouder als eerste die extra kosten moet ophoesten terwijl er van toegevoegde waarde geen sprake is.”

melkveestal.geVILT.jpg

Protectionistische reflex
Voorlopig hebben onze noorderburen geen oren naar de Belgische kritiek. Als klap op de vuurpijl wil de Nederlandse mengvoederindustrie overstappen van een groepsaankoop van duurzame soja naar individuele certificering. De beslissing heeft niet alleen een nationale context want men zou het Belgische systeem, waarbij sectorfederatie BEMEFA maatschappelijk verantwoorde soja inkoopt voor al zijn leden, niet meer aanvaarden. “De verschillen tussen de Belgische en Nederlandse aanpak zijn vaak ontstaan in een bepaalde context, bijvoorbeeld de problemen in Nederland met aflatoxines in een voedergrondstof. We aanvaarden dat die verschillen er zijn maar we mogen er niet op focussen. Kijk naar de sterktes van beide kwaliteitssystemen, blijf rond de overlegtafel zitten en wees tot een compromis bereid”, doet OVOCOM-voorzitter Yvan Dejaegher een duidelijke oproep.

De slechtste optie is volgens hem een protectionistische reflex, zich afsluiten van andere kwaliteitssystemen. “Je riskeert dat andere landen iets soortgelijk doen”, waarschuwt Dejaegher. Tot zijn eigen spijt stelt hij vast dat het in ons land al zover is want Colruyt schreef in zijn lastenboek voor leveranciers dat mengvoeders afkomstig moeten zijn van een Belgische fabrikant. Goed voor de lokale economie zou je denken, maar zulke voorbeelden van protectionisme worden gekopieerd zodat ze uiteindelijk een concurrentienadeel zijn voor alle deelnemers aan voederveiligheidssystemen.

Bijkomende audits worden opgelegd onder het mom van een nationale voedselveiligheidsbenadering

Is potentieel kankerverwekkende aflatoxine in melk dan geen goede reden voor onze noorderburen om extra voorzorgen in te bouwen, bovenop de lage maximumnormen die Europa hanteert en de bestaande kwaliteitsbewaking in de diervoederketen? Dejaegher antwoordt resoluut: “Nederland zet de afspraken binnen de keten op de helling. SecureFeed gaat namelijk zelf bijkomende audits uitvoeren bij leveranciers terwijl onze GMP-standaard door onafhankelijke derden gecontroleerd wordt. In ons land loopt de communicatie binnen de keten blijkbaar veel vlotter want wij maakten goede afspraken met de zuivelindustrie.”

Belgische zuivelverwerkers kunnen volgens hem gerust zijn in de veiligheid van het voeder op melkveebedrijven. Dankzij het algemeen bemonsteringsplan voor voedergrondstoffen worden percelen maïs in België, Frankrijk, Nederland en Duitsland, bij wijze van steekproef zelfs voor de oogst gescreend. Ook wordt er geen schip maïs afkomstig uit risicolanden in de haven gelost zonder staalname. Het aflatoxineprotocol bevat een lijst met landen die vanwege hun klimaat een risico inhouden op natuurlijke gifstoffen in voedergrondstoffen. Van een lading Roemeense maïs bijvoorbeeld, moet het analyseresultaat op voorhand beschikbaar zijn. Daarnaast is er een ‘early warning’-systeem en een handhaving op 5 ppb aflatoxine in enkelvoudige voeders die rechtstreeks aan de melkveehouder worden geleverd, terwijl de Europese norm 20 ppb bedraagt, en de Amerikaanse zelfs 100 ppb. Dat zijn heel lage cijfers, die enerzijds aantonen dat analyseresultaten steeds performanter worden maar anderzijds ook duidelijk maken dat nultolerantie onhaalbaar is. Het risico correct inschatten, dat is de kunst en daar bekwaamt de diervoederketen zich al jaren in.

Bron: eigen verslaggeving

Beeld: OVOCOM / VILT

Volg VILT ook via