nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

28.06.2019 Proefcentrum zoekt uit hoe je nieuwe teelt introduceert

Proefcentrum Herent en de Nationale Proeftuin Witloof boden bezoekers van hun openvelddag een dubbel programma aan, met focus op witloof ofwel op innovatieve teelten. Kort voordien was het proefcentrum tijdens een inspiratiesessie op zoek gegaan naar de succesfactoren voor de lancering van een nieuwe teelt. Rendabiliteit is een evidente maar niet de enige voorwaarde. Externe factoren spelen een rol, zoals de mechanisering die voorhanden is. Dat was in de jaren ’60 bepalend voor de introductie van maïsteelt in onze regio, brengt het Centrum Agrarische Geschiedenis (CAG) in herinnering. Vandaag is het een hinderpaal voor nicheteelten, tenzij een teler zelf de handigheid heeft om machines aan te passen of er samenwerkingen ontstaan zoals tussen Alpro en Arvesta bij de lokale teelt en verwerking van soja.

Sinds 2014 doet het Proefcentrum Herent veldproeven met goudsbloem. De bloemen kunnen gebruikt worden in de cosmetica en de farmacie, of als natuurlijke kleurstof. Ook voor de zaadolie bestaat een markt, o.a. als natuurlijke grondstof in verven. Door de lokale teelt van goudsbloem op punt te zetten en die expertise te delen met landbouwers wil de provincie Vlaams-Brabant bijdragen aan de ontwikkeling van een nieuwe commerciële keten. Naast praktijkonderzoek in functie van de witloofteelt staat Herent ondertussen gekend voor zijn experimenten met zogenaamde non food (oliehoudende en vezelrijke gewassen voor verwerking) en new food (quinoa, zoete aardappel, enz.).

Voor elke innovatieve teelt test het proefcentrum uit of lokale productie haalbaar is. Hoever het daarmee staat, konden landbouwers op een zomerse avond in juni zelf ontdekken tijdens het bezoek aan de proeven met onder meer goudsbloem en quinoa. Wat maakt nu dat landbouwers daadwerkelijk aan de slag gaan met zulke teelten zodat ze de niche ontgroeien? Vanzelfsprekend de rendabiliteit van de teelt, maar het antwoord op deze vraag is complexer en daarom interessant genoeg voor een inspiratiesessie die het Proefcentrum Herent kort voor de Openvelddag organiseerde.

Witloofteler Sam Magnus zag in Herent bataat (zoete aardappel) groeien en introduceerde de teelt drie jaar geleden op het familiebedrijf in Merchtem. De risico’s van een weinig gekende teelt nam Magnus voor lief – “je stoot constant op problemen waarvoor je oplossingen zoekt” – maar dat deed hij alleen vanwege de gunstige marktperspectieven. “Je hebt een afnemer nodig die meerwaarde ziet in de Belgische herkomst van een product, en daarvoor wil betalen. In mijn geval is dat een supermarkt.” Ondanks die meerprijs voor het geoogste product betaalt de jonge teler leergeld, en moet de opgedane ervaring nu nog beginnen renderen. “Wat helpt, is de handigheid om zelf machines aan te passen. Anders moet je als landbouwer wachten op de grote machinefabrikanten.”

Mechanisatie, of het gebrek daaraan, is in de praktijk een knelpunt voor de opschaling van nicheteelten. Dat geldt volgens Gerda Cnops van landbouwonderzoeksinstituut ILVO ook voor de naoogsttechnologie. Vaak ontbreekt het aan geschikte sorteerinstallaties voor het opschonen van de oogst, of aan een firma die dat voor een klein volume wil doen. Bij de experimenten met soja in Vlaanderen waar ILVO bij betrokken is, leveren de telers hun oogst aan de AVEVE Zaden. “Wij triëren en drogen de soja en leveren die vervolgens aan Alpro voor verwerking in hun drinks”, zegt Toon Kerkhofs van de groep Arvesta. Het project is ondertussen uitgegroeid tot 80 hectare soja, waarbij voor het eerst 20 hectare soja biologisch geteeld wordt. Arvesta kiest volgens Kerkhofs bewust voor de projectmatige aanpak: “Vorig jaar oogstte één teler iets meer dan 3,5 ton soja met een eiwitgehalte van 43 procent. Dan heb je een rendabel gewas, maar de oogsten van 2,5 ton soja per hectare moeten er eerst uit.”

“Nieuwe gewassen moeten qua rendabiliteit altijd de vergelijking met graanteelt, het minst rendabele gewas binnen een akkerbouwrotatie, kunnen doorstaan”, weet Jean-Luc Lamont van het Departement Landbouw en Visserij. Het VLAIO-project ‘Agroforestry in Vlaanderen’ en de aanplantsubsidie voor boslandbouwpercelen vindt hij een goed voorbeeld van hoe de Vlaamse overheid een nieuwigheid kan ondersteunen. “Na de begeleiding en de subsidie die ze bij de start kregen, hoor je landbouwers vertellen dat ze op hun bedrijf op lange termijn een meerwaarde in agroforestry zien.”

In een tweede artikel komen we terug op de vraag hoe een nieuwe teelt succesvol wordt. Een historicus van het Centrum Agrarische Geschiedenis, een expert in veredeling van de Universiteit Gent en een gewezen voorlichter uit het bedrijfsleven (Cosucra – cichorei) komen dan aan het woord.

Bron: eigen verslaggeving

Beeld: Proefcentrum Herent

Volg VILT ook via