nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

23.11.2017 PVL Bocholt wil de opmars van probleemonkruid stuiten

Yellow nutsedge, souchet comestible, erdmandengras, aardamandel,… Het zijn maar een paar vertalingen van wat wij kennen als het woekeronkruid knolcyperus en het geeft aan hoe wijd verspreid het probleem is. In België, meer bepaald in Noord-Limburg, deed de invasieve soort zijn intrede in de jaren ’80 via de gladiolen- en bloembollenteelt net over de grens in Nederland. Ondertussen is knolcyperus aan een onstuitbare opmars bezig. Proefcentrum PVL in Bocholt wil de verspreiding van het grasachtig onkruid een halt toeroepen, en zal zich in het kader van een Leader-project twee jaar toespitsen op de knolcyperusdruk in de regio Kempen-Maasland.

De Verenigde Staten, Spanje, Zwitserland, Frankrijk, Nederland, België… Geen enkel land of regio blijft gespaard van knolcyperus omwille van zijn lage bodemkundige eisen en snelle vermeerdering. “Het is zeer belangrijk dat het onkruid vroeg wordt herkend, zodat het snel bestreden kan worden en zich niet verder verspreid”, zegt Shana Clercx van het Proef- en Vormingscentrum voor de Landbouw (PVL) in Bocholt. Zij trekt het nieuwe Leaderproject in de regio Kempen-Maasland dat de strijd aangaat met knolcyperus en de verspreiding ervan een halt wil toeroepen.

Knolcyperus is een grasachtig onkruid en is familie van de cypersgrassen, biezen en zeggen. “Het lijkt dus op gras maar dat is het zeker niet”, legt Clercx uit. “Knolcyperus heeft meer weg van een duinplant en kenmerkt zich door een roze voet en driehoekige stengel en bladeren. Sommigen verwarren knolcyperus met hanenpoot door de gelijkaardige roze voet, maar deze heeft geen driehoekige stengel. Het grote gevaar van knolcyperus bestaat uit zijn sterk vermeerderingsvermogen. Het vermeerdert zich namelijk via knollen, uitlopers en zaden welke winterhard zijn.”

Deze invasieve soort groeit zo weelderig dat het een landbouwgewas kan onderdrukken. Bovendien scheiden de wortelen van knolcyperusplanten stoffen uit die de kieming en groei van maïsplanten remmen. PVL Bocholt berekende dat op een plek waar er 100 knolcyperusplanten per m² groeien de maïs acht procent minder zal opbrengen. Omdat knolcyperus verre van een onschuldig onkruid is, gold er vroeger een meldingsplicht bij het Voedselagentschap. Geen boer die dat in de praktijk deed omdat men huiverachtig stond tegenover de teeltmaatregelen die dan opgelegd worden. Daarom veranderde de overheid het geweer van schouder, en ontfermt Vlaanderen zich nu over het probleemonkruid. Binnen de regels rond een geïntegreerde gewasbescherming geldt officieel een bestrijdingsplicht met enkele randvoorwaarden: besmette percelen als laatste bewerken, machines verplicht reinigen, geen grond afvoeren, enz.

Op besmette percelen geldt ook een verbod op de teelt van wortel- en knolgewassen omdat het onvermijdbaar is dat er bij de oogst van suikerbieten, aardappelen en groenten zoals wortelen grond mee afgevoerd wordt. Praktijkonderzoekers die waakzaam zijn voor knolcyperus – PVL Bocholt trekt zich het probleem al een kwarteeuw aan – merken dat er toch aardappelen en suikerbieten groeien op percelen die pleksgewijs groen kleuren door de knolcyperus. “Zo verergert het probleem alleen maar”, waarschuwt Shana Clercx. In Noord-Limburg worden ook groenten geteeld voor Greenyard in Bree, het vroegere Noliko. Daar maken ze zich ook zorgen. Op besmette percelen mogen geen groenten voor de fabriek geteeld worden, maar Greenyard wil vanzelfsprekend zijn grondstof ook over 10 of 20 jaar nog lokaal kunnen betrekken. In maïsteelt kan knolcyperus chemisch bestreden worden, maar rundveehouders nemen de handschoen niet altijd op omdat de bestrijding duur is.

Om het tij te keren en samen het probleem aan te pakken, startte enkele maanden geleden een Leader-project inzake het knolcyperusprobleem. Het project kwam tot stand door een samenwerking van verschillende partners, onder meer PVL Bocholt en de provincie Limburg, en wordt gerealiseerd met de steun van het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling. Het eerste doel is een getal kunnen plakken op de totale besmette oppervlakte zodat overheden en fabrikanten van gewasbeschermingsmiddelen aangespoord kunnen worden om de bestrijdingsmogelijkheden te vergroten.

Aan landbouwers wordt gevraagd om besmette percelen anoniem kenbaar te maken. “Deze informatie zal nooit uitgewisseld of openbaar worden gemaakt”, benadrukt Shana Clercx. Knolcyperus-besmettingen kunnen via de . “De tweede en derde stap binnen het project is de verspreiding naar niet-besmette percelen voorkomen en de knolcyperus bestrijden die er al is. Daarbij willen we als praktijkcentrum helpen door begeleiding aan te bieden. De federale overheid zou een afwijking kunnen overwegen zodat bestrijdingsmiddelen die nu niet erkend zijn hun werking tegen knolcyperus toch kunnen bewijzen.”

Bron: eigen verslaggeving

Beeld: PVL Bocholt

Volg VILT ook via