nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

13.11.2019 Rekent Orbán zich rijk met landbouwsubsidies?

Landroof, dubieuze deals, corruptie, maffia, vriendjespolitiek… het onderzoek van The New York Times, waar De Morgen over bericht, naar Europese landbouwsubsidies leest als een thriller. Wie hooggeplaatste politieke vriendjes heeft in de Oost-Europese landen, wordt rijk van de landbouwsubsidies. Wie klaagt, krijgt niets en wordt gestraft. De Europese Commissie liet, naar aanleiding van het onderzoek van The Times weten geen fraude met landbouwsubsidies te tolereren en voert audits uit.
Europa trekt jaarlijks 58 miljard euro uit om de landbouw te subsidiëren. De subsidies komen in Centraal- en Oost-Europese landen in handen van zelfbedienende politici, ten koste van de boer, die zijn land ziet verdwijnen.
 
The New York Times onderzocht hoe het subsidiesysteem in z’n werk gaat in negen landen. Het ondoorzichtige systeem helpt de duurzaamheidsdoelstellingen voor geen meter vooruit en is zwaar onderhevig aan fraude en corruptie.
 
Niet alleen in Hongarije, maar ook in een aantal andere Oost- en Centraal-Europese landen, gaan de landbouwsubsidies naar een klein clubje machtige oligarchen. In Tsjechië, Slowakije, Bulgarije leidt het tot ware maffiapraktijken en landroof.
 
Hoe gaat Hongaars premier Orbán te werk? Om in aanmerking te komen voor Europese subsidies heb je land nodig. Dus verpatste Orbán duizenden hectare staatsgrond aan nauwe medewerkers, familie en vrienden. Een van zijn jeugdvrienden werd op die manier één van de rijkste mensen van Hongarije.
 
Terwijl de landbouwsubsidies bedoeld zijn voor kleine landbouwers, wijst onderzoek uit dat 80 procent van het geld in handen komt van 20 procent van de landeigenaars. Boeren die kritiek uiten op het systeem, grijpen systematisch naast subsidies en krijgen audits of vreemde milieu-inspecties over de vloer. Door zulke intimidaties lijkt het communistische tijdperk niet ver weg.
 
Jozsef Angyan, ooit staatssecretaris voor Plattelandsontwikkeling onder Orbán, klapt in The New York Times uit de biecht. De econoom voelt zich verraden door het verrijkingsbeleid van Orbán en neemt het op voor de kleine boeren.
 
We keren even 15 jaar terug in de tijd, naar 2004, een jaar dat in Hongarije gekenmerkt werd door vooruitgangsoptimisme en geloof in verandering. Op 1 mei van dat jaar trad Hongarije, samen met 9 andere ex-Oostblokkers, toe tot de Europese Unie. Orbán had de jaren ervoor als premier Hongarije binnengeloodst in de EU, maar werd er door de kiezers niet voor beloond.
 
In 2005 braken boerenprotesten uit, niet tegen de EU maar tegen het feit dat de landbouwsubsidies nog niet uitbetaald waren. Orbán zag meteen het potentieel van de subsidies als hefboom en kwam zo in contact met Angyan, die namens de demonstranten onderhandelde en pleitbezorger was van kleinschalige en ecologische landbouwbedrijven.
 
In 2010 deed Orbán opnieuw een gooi naar het premierschap en hoopte, door zijn band met Angyan, op de stemmen van de boeren. Hij slaagde ruimschoots in zijn opzet en maakte Angyan staatssecretaris voor Plattelandsontwikkeling, met de belofte dat hij zijn ideeën in de praktijk kon brengen. Die bestonden erin om staatsland op te delen en te verpachten aan kleine en middelgrote landbouwbedrijven. Maar Orbán wilde net grote stukken land verpachten aan politieke medestanders want de Europese subsidies worden verdeeld op basis van de grootte van de grond waardoor het makkelijker wordt voor de mensen aan de top om daar ook te blijven.
 
De regering van Orbán begon in 2011 openbare gronden te verpachten. Hoewel er gezegd werd dat alleen lokale boeren in aanmerking kwamen, gingen de gronden toch naar de medestanders van Orbán, die er weinig huur voor betaalden. In de lokale media kwam zware kritiek op deze deals, maar de kleine boeren hielden zich gedeisd. In 2012 stapte Angyan uit onvrede met dit beleid uit de regering, maar hij bleef wel parlementslid.
 
In 2015 ging Orbán nog een stap verder door honderdduizenden hectare staatsgrond te verkopen aan politieke bondgenoten en familieleden. Op die manier versterkte Orbán zijn macht over het platteland. De kopers kunnen op hun beurt rekenen op miljoenen aan landbouwsubsidies.  
 
De Europese Unie bemoeit zich niet met binnenlandse aangelegenheden en vertrouwt de verkozen politici. Maar in de realiteit heeft Europa simpelweg de instrumenten niet in handen om in te grijpen tegen zulke perverse effecten.
 
In 2015 bestelde het Europese parlement, na een waarschuwing over de praktijken in Oost-Europa, een rapport bij het Transnational Insitute in Amsterdam dat focust op landroof en de dubieuze deals. Dat rapport legde dezelfde pijnpunten bloot als het onderzoek van The Times, maar was volgens EU-functionarissen, die bevoegd zijn voor landbouw, onbetrouwbaar.
 
De Europese Commissie liet, naar aanleiding van het onderzoek van The Times, weten geen fraude met landbouwsubsidies te tolereren en voert audits uit. In het jaarverslag van 2018 van de Europese Rekenkamer is er sprake van een foutenpercentage van 2,4 procent voor de uitgaven van Europese middelen voor landbouw en platteland. Voor de rechtstreekse betalingen aan landbouwers werd zelfs geen foutenpercentage vastgesteld. DG AGRI krijgt op vlak van controle op de uitgaven dan ook een goede beoordeling van de Europese Rekenkamer.
 
De lidstaten en het Europees Parlement onderhandelen momenteel over de uitgaven tot 2027. In dat kader heeft de Commissie voorgesteld om de uitbetaling van fondsen nauwer te linken aan goed management en respect voor de rechtsstaat. De Commissie verwacht ook veel van de Europese openbare aanklager, die vanaf volgend jaar gesjoemel met Europees geld zelf kan vervolgen en voor de rechter brengen.

Bron: De Morgen

Volg VILT ook via