nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

17.09.2019 "Sojacertificatie zet geen rem op landontginning"

“België toont hoe je vee voedt zonder Amazone te schaden”, schreef VILT na de Belgian Feed Association (BFA) gehoord te hebben over de link die gelegd werd tussen soja-import en de bosbranden in Brazilië. Nina Holland (Corporate Europe Observatory) en Luc Vankrunkelsven (Wervel) kropen in hun pen om daar kritische kanttekeningen bij te maken. Door hun bezoeken aan Argentinië, Brazilië en Paraguay geloven ze niet dat vrijwillige certificatie het verschil kan maken. “Dat stopt de ontbossing niet, vooral niet als de vraag naar soja voortdurend blijft groeien. Er blijven immers altijd afnemers over die de niet-gecertificeerde oogst zullen kopen.” BFA reageert dat de Belgische mengvoederfabrikanten hun verantwoordelijkheid nemen wat de eigen soja-import betreft, maar niet met de vinger gewezen mogen worden voor de eisen die afnemers zoals China (niet) hanteren.

“Een vrijwillig certificeringssysteem kan de ontbossing helemaal niet stoppen”, reageren ngo-medewerkers Nina Holland (CEO) en Luc Vankrunkelsven (Wervel) op de garanties die de Belgische mengvoederindustrie gaf rond soja-import en het vermijden dat de natuur in Brazilië voor die teelt wordt aangetast. De Belgische diervoederproducenten verbonden zich er in 2006 toe om geen soja te importeren afkomstig van percelen in Brazilië en Argentinië die daarna ontbost werden. In 2018 onderschreef de Belgian Feed Association (BFA) ook het Cerrado-manifest, dat een halt moet toeroepen aan de ontginning van de 2 miljoen vierkante kilometer grote Braziliaanse savanne.

Naast het verduurzamen van de import werkt BFA ook aan het verkleinen van de afhankelijkheid van overzeese soja. De valorisatie van voedselreststromen, zo’n 4 miljoen ton op jaarbasis, is daar een goed voorbeeld van. “Ook de investering in het Feed Design Lab en onze steun voor onderzoeksprogramma’s zoals lokale teelt van soja, het gebruik van bijvoorbeeld insecten, algen en zeewier en de verdere valorisatie van nevenstromen uit de voedingsindustrie moet je in die optiek zien”, zegt BFA-directeur Katrien D’hooghe. Waar ngo’s als CEO en Wervel ijveren voor een afbouw van de veestapel zodat de kringloop gesloten kan worden door alle veevoeders zelf te telen, gelooft D’hooghe meer in de evolutieve aanpak. “Een aanpak die vruchten afwerpt”, verzekert ze, met een verwijzing naar de daling van de soja-import met meer dan 30 procent sinds 2011. Dat is vooral te danken aan de overschakeling op koolzaadschroot en bijproducten uit de biobrandstofindustrie, twee meer nabije eiwitbronnen.

D’hooghe ontkent niet dat soja-import belangrijk blijft voor de eiwitvoorziening van de veehouderij. Certificering van die import is voor de mengvoederindustrie een bedrijfszekere manier om te vermijden dat samen met de soja ook de overzeese milieuproblemen ingevoerd worden. “Die zijn er”, zegt de BFA-directeur, “en dat is ook de reden waarom wij in België al jaren een voortrekkersrol spelen, jaarlijks investeren in de aankoop van duurzame sojacertificaten volgens wereldwijd erkende standaarden (RTRS, CRS en SFAP non conversion) en er bovendien voor ijveren dat de richtlijnen van onze Europese koepel FEFAC gemeengoed worden in gans Europa.” De certificatie van het volledige importvolume op EU-niveau (30 miljoen ton) zou een grote hefboom zijn voor het verduurzamen van de Zuid-Amerikaanse sojateelt. Volgens Katrien D’hooghe is algemener ingang doen vinden van de sojastandaard op dit moment prioritair. “En verstandiger dan enkel in België de eisen aan sojateelt nog veel strenger te maken want dan riskeren we onszelf als afnemer buiten de markt te plaatsen. De kloof met China dat minimale eisen stelt, is nu al groot.”

Net omdat Brazilië en de andere sojastaten zich nog steeds verzekerd weten van afnemers die niet moeilijk doen over de randvoorwaarden van de productie hebben CEO en Wervel hun bedenkingen bij vrijwillige certificatie. Daarom wilden Nina Holland en Luc Vankrunkelsven namens die organisaties reageren op het VILT-artikel ‘België toont hoe je vee voedt zonder Amazone te schaden’. “De Ronde Tafel Verantwoorde Soja (RTRS) deed in 2006 haar intrede, maar werd meteen geboycot door Zuid-Amerikaanse boerenorganisaties en ngo’s. Zij vinden dat de certificatie meer de belangen dient van de grote sojahandelaars en pesticiden-multinationals, veeleer dan van de familiebedrijven of de biodiversiteit”, aldus Holland en Vankrunkelsven.

“RTRS zegt ‘zero-deforestation’ soja te leveren. Dit is helaas misleidend. Een vrijwillig certificeringssysteem kan de ontbossing helemaal niet stoppen, vooral niet als dat gepaard gaat met een voortdurende groei van de vraag. Alleen Argentinië al heeft 30 miljoen hectaren landbouwgrond in gebruik – reeds ontbost land dus. Soja van deze grond kan dus zonder problemen gecertificeerd worden, en de hoeveelheid gecertificeerde soja kan nog vele malen groeien, zonder dat dat ook maar iets verandert aan de ontbossing die elders in het land plaatsvindt.” De BFA-standaard zien zij als een light-versie van RTRS omdat die laatste 98 indicatoren omvat. “Wij hebben het aantal criteria in de loop der jaren uitgebreid van 20 naar 66. De criteria worden jaarlijks geëvalueerd. Aan een aantal eerder administratieve eisen hechten we minder belang”, zegt D’hooghe over de BFA-standaard. Ze merkt ook op dat RTRS dezelfde filosofie hanteert, en boeren toelaat om te groeien in het label. En verwijst naar Greenpeace dat eerder communiceerde dat het Amazone-moratorium wel degelijk een positieve effect heeft zodat sojateelt niet langer een belangrijke oorzaak is van ontbossing.

Nina Holland verwijst naar een interne evaluatie van Ronde Tafel-projecten door het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken in 2013, dat stelde: “Standaarden voor soja en palmolie omvatten criteria om ontbossing tegen te gaan, maar er is nog geen bewijs dat dit effectief is buiten de gecertificeerde productie-unit.” Een belangrijke vraag is vanaf wanneer er niet meer ontbost mag worden voor de productie van ‘verantwoorde soja’. “Voor RTRS is dat zeer recent: 2016”, weet Vankrunkelsven. “Inderdaad, vóór juni 2016 mocht nog wel ontbost worden voor de productie van ‘verantwoorde soja’, en namelijk op gronden die niet geacht werden rijk aan biodiversiteit (high conservation value) te zijn. Dat deze gebieden net zo goed van levensbelang zijn voor inheemse en lokale gemeenschappen, zoals het Wichí volk in de Chaco, en net zo goed waardevolle ecosystemen zijn, deed er blijkbaar niet toe.” Daarmee verwijst Vankrunkelsven naar een derogatie op het algemeen geformuleerde ontbossingsverbod in de RTRS-standaard, waarvoor 2009 als referentiejaar geldt.

Vele boeren en lokale inwoners hebben onvrijwillig hun land moeten verlaten voor de oprukkende sojaproductie, zo benadrukt Nina Holland. “RTRS heeft onder maatschappelijke organisaties, sociale bewegingen en boerenvakbonden in Zuid-Amerika dan ook geen draagvlak. Honderden organisaties uit de hele wereld hebben zich verschillende malen publiekelijk uitgesproken tegen RTRS en het ‘verantwoorde’ sojalabel.” Certificering helpt volgens haar al helemaal niet als je actief meewerkt aan de groeiende vraag naar soja of andere landbouwgrondstoffen die in die gebieden geteeld kunnen worden, zoals vlees, katoen of maïs.” Nog een voorbeeld dat ze geeft: RTRS meldde zich als eerste label aan bij de EU om soja-olie te mogen certificeren voor de biobrandstoffenmarkt. Deze extra vraag maakte de soja als grondstof waardevoller, en de productie ervan dus aantrekkelijker.

De Nederlandse regering is een groot fan van ronde tafels als RTRS, en ondersteunt deze financieel. Holland: “Terwijl de toenmalige Nederlandse ambassadeur in Brazilië Han Peters enthousiast twitterde over een bezoek aan een RTRS-gecertificeerd sojabedrijf, bemiddelde hij tegelijkertijd voor Nederlandse infrastructuurbedrijven om orders in de wacht te slepen voor de Corredor Norte, de nieuwe soja-afvoer route door het noorden van Brazilie. De Groene Amsterdammer en Trouw publiceerden onderzoek dat aantoonde dat de Nederlandse betrokkenheid bij deze corridor ontbossing, gewapend conflict en landroof in de hand werkte.”

Het Profundo-rapport waar BFA naar verwijst (een internationale benchmark van sojastandaarden, nvdr.) kijkt volgens Holland en Vankrunkelsven alleen naar de eisen die op papier staan. “Het rapport had niet tot doel om aan te tonen dat ontbossing in realiteit ook wordt voorkomen. De BFA-standaard scoort overigens niet goed op het punt van de ontginning van andere waardevolle gebieden.” De veevoederfederatie verwijst naar het Cerrado-manifest dat het in 2018 ondertekende om te laten zien dat voor hen in Brazilië niet alleen de Amazone van tel is. En Katrien D’hooghe merkt op dat de sojacertificaten die BFA koopt (SFAP non conversion, CRS, RTRS) door Profundo alle drie in de top vijf gerangschikt worden wat bescherming van de biodiversiteit betreft.

Een pijnpunt uit het Profundo-rapport waar de ngo’s op wijzen, is dat de ontginning voor een ander gewas dan soja kan gebeuren terwijl de soja op grond geteeld wordt die reeds in cultuur is. De Grupo A Maggi geven ze als voorbeeld van een bedrijf dat niet terugdeinst voor landontginning. Eigenaar van dat bedrijf is de voormalige landbouwminister Blairo Maggi. “Hij werd drie jaar geleden nog veroordeeld tot een miljardenboete wegens illegale ontbossing van honderden vierkante kilometers bos.”

De criteria van RTRS kunnen ook op andere vlakken dan ontbossing in de praktijk niet overtuigen in de ogen van Corporate Europe Observatory en Wervel. Nina Holland en Luc Vankrunkelsven: “Hierdoor kan het grootste deel van de huidige sojaproductie er zonder enig probleem meteen aan voldoen. Er worden bijvoorbeeld geen harde doelen gesteld om het gebruik van pesticiden omlaag te brengen. Natuurlijk slingeren er op het moment van een inspectie geen verpakkingen van illegale pesticiden rond, maar de inspecteurs laten ook na om de soja te testen op het eventueel gebruik daarvan.”

Bron: eigen verslaggeving

Beeld: Wervel

Volg VILT ook via