nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

31.10.2019 "Stadsplanning moet ruimte laten voor voedselproductie"

In Vlaanderen, Brussel en ver daarbuiten is er steeds meer aandacht voor voedselproductie in en nabij de stad. Meer dan in het verleden erkennen planners vandaag de noodzaak om de kostbare landbouwgronden rondom de stad actief te beschermen en in te richten. “Een trendbreuk met het verleden, want decennialang hadden planners nauwelijks oog voor landbouw”, weet Jeroen De Waegemaeker, senior researcher bij het Instituut voor Landbouw, Visserij en Voedingsonderzoek (ILVO). Maar hoe kunnen we de open ruimte open houden? “Op dat vlak kunnen we veel leren van de stadsplanners van Kopenhagen, al moeten we ook waakzaam zijn voor de beperkingen van hun aanpak.”

Kopenhagen, het is een schoolvoorbeeld van duurzame stadsplanning. De Deense stadsplanners slagen erin om generatie na generatie de open ruimte in en rond de stad te vrijwaren. “Aan de grondslag van hun succes ligt het goed doordachte ‘vingerplan’”, weet Jeroen De Waegemaeker, senior researcher bij ILVO. “Het plan werd op maat gemaakt voor de stad en werd steeds doorgegeven aan de nieuwe generatie stadsplanners. Je moet de plattegrond van Kopenhagen zien als een hand, waarbij de handpalm het stadscentrum voorstelt en de vingers de ruimte voorstellen waar nieuwe stedelijke gebieden zich kunnen ontwikkelen. De open ruimte tussen die zogenaamde grijze vingers moet plaats bieden aan parken, bossen en natuur.”

Het vingerplan dateert al van 1947, maar meer dan 70 jaar later biedt het een antwoord op duurzaamheidsvraagstukken waar in de jaren ’40 nog geen sprake van was, zoals luchtkwaliteit, biodiversiteit en klimaatadaptatie. “De doorgedreven stadplanning hielp om de open ruimte effectief te beschermen, maar het zorgde er wel voor dat alle landbouwactiviteiten verdwenen zijn uit die open ruimte”, constateert Jeroen De Waegemaeker. Volgens studies van Deense onderzoekers verdween in het heuvelachtige noordwesten van Kopenhagen maar liefst 25 procent van het landbouwareaal. “Het meest opvallend is de grote toename van wat de Deense onderzoekers ‘hobbyboeren’ noemen: plattelandsbewoners die hun geld in de stad verdienen, een groot stuk grond bezitten en deze grond (deels) voor hobbydoeleinden (paarden, schapen…) gebruiken.”

De sterk uitgekiende stadsplanning rond Kopenhagen staat in schril contrast met onze Vlaamse steden. “De naoorlogse stadsplanning hier is eerder ‘chaotisch’ te noemen”, reageert Jeroen De Waegemaeker. “Maar kijken we naar de mogelijkheden van voedselproductie in de open ruimte rond de stad, dan biedt onze stadsplanning in Vlaanderen wel mogelijkheden. In Kopenhagen zitten ze een beetje vast in hun stedelijke bubbel. Voordat je daar de eerste landbouwbedrijven tegenkomt, moet je al snel een uurtje fietsen. Vertrek je in Brussel op de Grote Markt, dan zie je na 20 minuten trappen de eerste akkers al verschijnen.” Bij de onderzoekers die de rurale zone rond Kopenhagen onder de loep namen, klinkt kritiek om het feit dat de voedselproductie zo fel afwezig is geweest (en nog steeds is) in het vingerplan.

Wereldwijd, inclusief in Vlaanderen, groeit de aandacht voor voedselproductie in en nabij de steden. In Vlaanderen spreken meer en meer stadsplanners over de noodzaak om de kostbare landbouwgronden rondom de stad actief te beschermen en in te richten. “Dat is een trendbreuk met het verleden en de Vlamingen staan op dat vlak verder dan hun Deense collega’s”, weet Jeroen De Waegemaeker. “De toekomst van een duurzame stad zou wel eens kunnen liggen in een combinatie van de Deense en de Vlaamse zienswijze: een doorgedreven planning en actieve ontwikkeling van de open ruimte rond de steden mét aandacht voor het behoud van voedselproductie.”

Bron: eigen verslaggeving

Beeld: Zenneland

Volg VILT ook via