nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

25.04.2019 Stilaan verbetering van de Europees beschermde natuur

Om de zes jaar brengt Vlaanderen verslag uit aan Europa over de toestand van zijn beschermde habitats (leefgebieden) en soorten (planten en dieren). Daaruit blijkt dat zeker voor een aantal soorten, en in mindere mate voor enkele habitats, de situatie stilaan verbetert. De toestand blijft nog vaak ongunstig, maar op heel wat plaatsen lijkt de neerwaartse trend gekeerd. “Sinds 2007 is de toestand van 20 van de 44 onderzochte habitattypes verbeterd”, illustreert Marleen Evenepoel, administrateur-generaal van het Agentschap voor Natuur en Bos. “De vooruitgang situeert zich precies daar waar we grote inspanningen leveren.” Ze noemt het rapport een aanmoediging om de inspanningen verder te zetten, “maar een tandje bijsteken is aangewezen”.

De inspanningen van natuurbeschermers lijken vruchten af te werpen in het licht van de Europese natuurdoelstellingen voor habitats en soorten. Marleen Evenepoel, leidend ambtenaar van het Agentschap voor Natuur en Bos, legt uit dat je dat vooral ziet in de Europees beschermde natuurgebieden en bij de habitatgroepen kustduinen, heiden, venen, waters en bossen. Omdat de eindbeoordeling van een habitat de som is van vier strenge deelbeoordelingen die elk gunstig moeten scoren, blijft een positieve eindbeoordeling moeilijk haalbaar. Op het terrein is er vaak al zichtbare vooruitgang. Zulke lokale succesverhalen moeten een belangrijk oppervlakteaandeel halen vooraleer er een significante verbetering optreedt van de regionale toestand.

Een gunstige toestand voor habitatkwaliteit vereist in de eerste plaats dat een groot deel van de habitatlocaties in een gunstige lokale toestand zijn, en ook dat de regionaal bepaalde indicatoren ruimtelijke samenhang en habitat-typische soorten gunstig scoren. Daarenboven mogen er geen significante verslechteringen optreden, en mogen er geen vormen van milieudruk (bv. verdroging) ‘hoog’ gerankt zijn. De rapportsamenvatting leert dat 20 van de 44 onderzochte habitattypen een gunstige trend vertoont sinds 2007. Een beperkt aantal verschuift zelfs naar een betere toestandscategorie, bijvoorbeeld van ‘zeer ongunstig’ naar ‘matig ongunstig’. Voor vijf habitattypen gaat in de periode 2013-2019 de toestand voor één of meer criteria achteruit zonder dat een ander criterium verbetert.

Waar nodig moet het bestaand beleid volgens ANB versterkt worden. Dat is bijvoorbeeld het geval voor graslandhabitats want buiten de kustregio gaat er geen enkel graslandhabitat op vooruit. Veel habitattypen blijven in kritieke toestand verkeren, wat vooral samenhangt met de referentieoppervlakte die nog veraf is en met de habitatkwaliteit. Habitats hebben een lange ontwikkeltijd nodig, en planten en dieren vaak lange tijd om ‘ter bestemming’ te geraken. “Het kan dan ook jaren duren voor de resultaten van de ingrepen zichtbaar zijn”, zo legt het agentschap uit in een persmededeling over de meest recente rapportering voor de periode 2013-2018. “Habitats staan ook nog altijd onder zware milieudruk, onder meer van stikstofdepositie, waterverontreiniging, versnippering en ook van de klimaatwijziging. De impact van die laatste zal zich in de toekomst steeds meer laten voelen.”

Vlaanderen rapporteert ook over 69 soorten. Over recent teruggekomen soorten zoals de lynx of de wolf doet het rapport nog geen uitspraken. Administrateur-generaal Maurice Hoffmann van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO): “Van de 66 geëvalueerde soorten scoren er globaal 18 gunstig, 5 onbekend en de overige 43 nog altijd matig tot zeer ongunstig. De trends tonen een optimistischer beeld: 15 soorten gaan erop vooruit, 13 blijven in een ongunstige en 18 in een gunstige staat. Anderzijds gaan er toch ook nog 4 soorten achteruit en van 16 kunnen we de trend om technische redenen (bv. wegens gebrek aan gegevens) niet bepalen.”

Naast zorgenkindjes zoals het vliegend hert, de knoflookpad en de barbeel zijn er ook succesverhalen zoals de boomkikker. Twintig jaar geleden waren er nog maar rond de 100 à 150 exemplaren in Vlaanderen, maar door gerichte herstelmaatregelen zijn de bestaande populaties groter geworden en zijn er ook nog elders exemplaren opgedoken. Nu zitten we rond de 15.000 dieren in Vlaanderen. In hun gezamenlijke persmededeling besluiten INBO en ANB dat de resultaten er ons op wijzen dat het nog steeds niet goed gaat met de beschermde natuur in Vlaanderen, “maar we zien nu wel duidelijk dat de al geleverde inspanningen lonen”. Het is volgens beide organisaties absoluut nodig om ze vol te houden en verder te versterken.

Het nieuws dat op veel plaatsen de toestand van beschermde habitats en soorten verbeterde, waardoor een kentering lijkt ingezet, wordt positief onthaald door Boerenbond. Al blijft de organisatie met een ei zitten: “Het bereiken van de Europese natuurdoelstellingen in een verstedelijkt en geïndustrialiseerd Vlaanderen, met een hoogproductieve landbouw en versnipperde natuur, is een immens moeilijke opgave. Zo moeilijk dat de vraag gesteld mag worden of ze in die context wel haalbaar is.”

De reactie van Boerenbond moet gezien worden in het licht van de reeds geleverde inspanningen voor het milieu en de belangrijke gevolgen die de natuurdoelstellingen hebben op de bedrijfsvoering van honderden veehouders. Tot op heden is landbouw de enige sector waarvoor een beleid is ontwikkeld om de stikstofdepostie te reduceren. Ook industrie en verkeer stoten stikstof uit die bodems in natuurgebied verrijkt. Op die manier staan ze een verbetering van de natuurkwaliteit in de weg. Daar structureel en planmatig aan blijven werken, vindt Boerenbond een absolute noodzaak. “De focus van het natuurbeleid moet liggen op de realisatie van de Europese natuurdoelstellingen. De sterkste schouders – in deze zijn dat de natuurbeschermers en niet de landbouwers moeten de vereiste inspanningen leveren. Middelen moeten efficiënt en effectief ingezet worden met respect voor zuinig ruimtegebruik.”

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via