nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

15.10.2015 Vlaamse landbouw bij meest performante in EU

De Vlaamse landbouw heeft zich de laatste tien jaar erg performant getoond. Dat blijkt uit een Europese vergelijking van een aantal voor de Vlaamse landbouw belangrijke (bedrijfs)economische parameters voor de periode 2008-2012, een oefening die uitgevoerd werd door het Departement Landbouw en Visserij. Zo blijkt Vlaanderen onder meer uitstekend te scoren voor het netto bedrijfsinkomen en het inkomen per voltijdse familiale arbeidskracht. Wat de solvabiliteit en de schuldgraad betreft scoren we dan weer minder.

Het lijkt misschien niet de meest aannemelijke vaststelling in tijden van laagconjunctuur, maar de Vlaamse landbouwsector behoort wel degelijk tot de meest performante in de Europese Unie. Dat blijkt uit een Europese vergelijking van een aantal belangrijke (bedrijfs)economische parameters. Voor de periode 2008-2012 bedraagt de netto toegevoegde waarde per bedrijf bijvoorbeeld 85.531 euro per bedrijf, goed voor een vijfde plaats na onder meer Nederland (127.391 euro/bedrijf) en Denemarken (121.262 euro/bedrijf). Volgens het rapport is dat een “goed gemiddeld resultaat”, zeker wanneer gekeken wordt naar de lidstaten die beter scoren: enerzijds landen met gemiddeld erg grote bedrijven (Slovakije en Tsjechië), en anderzijds landen met erg kapitaalintensieve bedrijven (Nederland en Denemarken). 

Voor het netto bedrijfsinkomen komt Vlaanderen (en België) met 56.447 euro/bedrijf zelfs op de eerste plaats, gevolgd door het Verenigd Koninkrijk (50.344 euro/bedrijf), Nederland (44.253 euro/bedrijf) en Frankrijk (38.260 euro/bedrijf). Zeven lidstaten komen niet boven de 10.000 euro per bedrijf, terwijl de waarde voor Vlaanderen driemaal hoger ligt dan het EU27-gemiddelde van 17.110 euro per bedrijf. Bij de netto toegevoegde waarde per voltijdse arbeidskracht worden de eerdere cijfers van de netto toegevoegde waarde meer gerelativeerd: de bedrijfsgrootte wordt hier minder belangrijk. Dat uit zich in een verbetering van het klassement voor Vlaanderen. Het klimt op naar de vierde plaats, na Denemarken, Nederland en het Verenigd Koninkrijk. 

Daarnaast is er het netto bedrijfsinkomen per voltijdse familiale arbeidskracht, dat een goede indicator is voor de mate waarin de familiale arbeid gehonoreerd wordt. Vlaanderen (en België) zijn hier Europese top, na het Verenigd Koninkrijk. De solvabiliteit en de schuldgraad zijn een ander verhaal. Voor de solvabiliteit staat Vlaanderen op de 21ste plaats, voor de schuldgraad op de zevende. Beide indicatoren geven aan dat er stevig geïnvesteerd wordt in de Vlaamse landbouw, wat op zich geen slechte zaak is en vooral een uiting van de wil om te ondernemen en te innoveren, aldus het rapport. Anderzijds maakt het de landbouwbedrijven uiteraard wel kwetsbaarder in economisch slechtere tijden.

Voor het rendement op activa (netto toegevoegde waarde/totaal vermogen-ratio) tenslotte scoort Vlaanderen met 13,9 een stuk hoger dan het EU27-gemiddelde van 8,9. De hoogste waarden werden er opgetekend in Bulgarije (19) en Hongarije (17,1). In West-Europa doet alleen Frankrijk het met een waarde van 16,1 beter dan Vlaanderen. Binnen België scoort Vlaanderen iets beter voor de indicatoren netto toegevoegde waarde per bedrijf, netto bedrijfsinkomen, netto bedrijfsinkomen per familiale arbeidskracht en rendement op activa. 

De auteurs merken verder nog op dat de vergelijking ook beperkingen heeft. Zo maskeren de gemiddelde waarden de grote variatie die mogelijk is, zowel tussen de verschillende landbouwsectoren als tussen de individuele bedrijven binnen eenzelfde landbouwsector. Verder geven ze aan dat het goed is te beseffen dat het op bedrijfsniveau juist het samenspel tussen economische indicatoren is – eerder dan een individuele parameter op zich – dat maakt of een bedrijf goed functioneert. Bovendien zijn sommige parameters te interpreteren met enige behoedzaamheid: zo is een hoge liquiditeit bijvoorbeeld handig om kortetermijnschulden te kunnen betalen, maar kan het geen doel op zich zijn om deze liquiditeit zo hoog mogelijk te houden. Wanneer deze te hoog is, wordt het geld wellicht beter op een andere manier belegd of geïnvesteerd.

Lees het volledige rapport hier.

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via