nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

Vlaamse boer blijft verknocht aan zijn vleeskoeien
03.11.2014  Vleesveehouderij

Ieder jaar zijn er minder Vlaamse boeren die vleesvee houden: het ging van 12.500 vleesveehouders in 2008 pijlsnel bergaf naar 9.600 in 2012. Op een totale boerenstand van minder dan 26.000 landbouwers kan dat nog altijd tellen. Bij nader inzien is er geen andere diersoort die op zo veel boerderijen in Vlaanderen voorkomt. Toch zegt dit weinig over het economisch belang van de sector, want voor velen is het vleesvee een bescheiden neventak. Hoewel rundvlees ‘edeler’ en duurder is dan varkensvlees of kip, bleek de productie ervan de voorbije jaren vaker niet dan wel rendabel. De zoogkoeienpremie houdt de circa 4.300 gespecialiseerde vleesveebedrijven overeind, maar deze vorm van inkomenssteun is onderhevig aan koerswijzigingen in het landbouwbeleid. Dreigt daardoor de biefstuk op ons bord met friet te verdwijnen? Of zorgt een Europese erkenning van Belgisch wit-blauw vleesvee als streekproduct net voor een revival? Hoog tijd om ons een beeld te vormen van de sector.

Hoewel de modale Belg jaar na jaar minder rundvlees achter de kiezen steekt, wordt biefstuk nog altijd in één adem met friet genoemd als één van onze nationale gerechten. De biefstuk die je bij de slager of in de supermarkt vindt, is vrijwel altijd lokaal geproduceerd. Evident is dat niet, in de wetenschap dat vleesvee over een langere periode beschouwd (2006-2012) de minst rendabele vorm van landbouw is gebleken. Gelukkig voor de consument is de boer aan zijn koeien verknocht.

Schaalvergroting
Vlaanderen telde vorig jaar 1,27 miljoen runderen, zowel melk- als vleesvee. Specifiek voor vleesvee laten de dieraantallen zich het eenvoudigst meten aan de hand van het aantal zoogkoeien waarmee gekweekt wordt. Vorig jaar liepen er in Vlaanderen een kleine 160.000 zoogkoeien rond volgens de statistieken van de Mestbank en Dierengezondheidszorg Vlaanderen. Hoewel het aantal landbouwbedrijven jaarlijks afneemt, bleef de Vlaamse zoogkoeienstapel de afgelopen tien jaar op peil. De meeste vleesveehouders runnen een gesloten bedrijf. Zij fokken zelf hun kalveren, kweken met de koeien en mesten de stieren vet. Terwijl in Vlaanderen de nadruk vooral ligt op vetmesten, opteren in Wallonië meer boeren voor fokkerij en verkoop van het jongvee.

Hoewel het aantal zoogkoeien nauwelijks veranderde, werden bedrijven een flinke slag groter doorheen de jaren. Op rundveebedrijven – bij gebrek aan aparte cijfers voor melkvee en vleesvee – steeg het aantal dieren van gemiddeld 86 grootvee-eenheden in 2004 naar gemiddeld 114 in 2012. De vleesveebedrijven die deelnemen aan het landbouwmonitoringsnetwerk (LMN) van de overheid vormen een goede afspiegeling van de sector. Zij beschikten in 2011 gemiddeld over 50 zoogkoeien en een totale veestapel van 94 grootvee-eenheden. Eén grootvee-eenheid (GVE) komt precies overeen met één zoogkoe maar bijvoorbeeld ook met twee stuks jongvee. Een vleesstier jonger dan 1 jaar geldt als 0,4 GVE. Is hij ouder dan 1 jaar, dan stijgt dat naar 0,6 GVE.

vleesvee.kalf_geVILT.jpg

Vleesvee vind je overal in Vlaanderen, op gespecialiseerde bedrijven maar evenzeer op gemengde bedrijven die de combinatie maken met akkerbouw of melkvee. Een rol van betekenis speelt de sector in het noorden van West-Vlaanderen, het Pajottenland, de Vlaamse Ardennen en de Kempen. In de Noorderkempen is er een concentratie van grote, gespecialiseerde bedrijven. Anders dan in Nederland, waar vleesvee meer en meer in natuurgebieden gehouden wordt, is de sector in Vlaanderen op intensieve leest geschoeid. Per hectare dienen iets meer dan drie grootvee-eenheden gevoed te worden op de bedrijven die hun kengetallen delen met de overheid.

Stielkennis
De zoogkoeien en het jongvee genieten in regel weidegang. De stieren en vrouwelijke dieren die vetgemest worden, blijven op stal. Daar krijgen ze een rantsoen waarin het aandeel krachtvoeder stelselmatig opgedreven wordt naarmate ze hun slachtgewicht naderen. Stieren vreten naast een flinke berg ruwvoeder twee tot tweeënhalve kilo krachtvoeder per dag. Een rantsoen van bijvoorbeeld kuilmaïs, vochtig maïsgraan, aardappelen en bietenpulp aangevuld met eiwitrijk krachtvoeder op basis van sojaschroot doet hen bijna één kilogram per dag groeien. Voor ze twee jaar oud zijn, bereiken ze een gewicht van om en bij de 700 kilo. Een koe zal eerst een drietal keer kalven voor ze afgevoerd wordt naar het slachthuis. Op dat ogenblik is ze gemiddeld genomen vijf jaar oud en weegt ze 750 kilo.

Naargelang de vraag naar rundvlees op de markt ontvangt de producent om en bij de 2.000 euro per correct vetgemest dier. Het is dan maar de vraag of hij na aftrek van de kosten daar iets van over houdt. Een vleesveehouder die al zijn kosten (ruwvoederwinning, krachtvoeder, afschrijvingen, dierenarts, enz.) verrekent, inclusief een vergoeding voor eigen arbeid, zal daar dikwijls negatief op moeten antwoorden.

wit-blauw.vleesvee_geVILT.jpg

Zo becijferde de Vlaamse landbouwadministratie voor 2011 een sterk negatief netto bedrijfsresultaat (-953 euro per zoogkoe). Zelfs zonder een arbeidsvergoeding waren de kosten dat jaar niet gedekt want ook het familiaal arbeidsinkomen schreef dieprode cijfers (-250 euro). Na verrekening van de Europese inkomenssteun kwam het arbeidsinkomen nog steeds niet boven nul uit.

Dit najaar gaan de Vlaamse landbouwambtenaren opnieuw aan het rekenen. Ongetwijfeld zullen er weer grote verschillen tussen de bedrijven aan het licht komen. In 2011 viel het bijvoorbeeld erg op dat de 50 procent beste bedrijven in moeilijke omstandigheden (goedkoop rundvee en duur krachtvoeder) nog net een positief arbeidsinkomen realiseerden. De veestapel op deze bedrijven presteert over de ganse lijn beter: een hogere groei, lagere sterfte, betere vruchtbaarheid, lager krachtvoederverbruik, enz.

Zoogkoeienpremie
Over het inkomen uit vleesveehouderij kan je het niet hebben zonder de subsidies ter sprake te brengen die veel bedrijven in de benen houden. Vleesveehouders behoren samen met melkveehouders en akkerbouwers tot de belangrijkste begunstigden van toeslagrechten. Hun grondgebonden bedrijven stonden op de eerste rij toen de steun losgekoppeld werd van productie en herverdeeld over de hectaren landbouwgrond. Uit vrees dat dat niet zou volstaan om de rundvleesproductie in Europa te verankeren, bleef ook de zoogkoeienpremie het voorbije decennium overeind. Meer nog, hij overleefde zelfs de jongste hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (2015-2020).

Toch komt de sector niet zonder kleerscheuren uit de hervorming. Financieel moet er ingeleverd worden, zowel op de toeslagrechten als op de zoogkoeienpremies. Onder druk van Europa werd een nieuw betalingssysteem voor de gekoppelde steun op poten gezet. Vlaanderen koos ervoor om het aantal begunstigden fors te verminderen zodat het waardeverlies per premie beperkt blijft. Alleen bedrijven met op jaarbasis minimaal 20 kalvingen komen voor steun in aanmerking.

kalf.vleesvee_geVILT.jpg

Deze beleidskeuze stimuleert de professionalisering van de sector, maar viel niet bij alle landbouworganisaties in goede aarde. De nervositeit bij de syndicaten was een teken aan de wand dat er veel op het spel stond, en dat blijkt ook uit de cijfers van de overheid. Alle premies samen maken namelijk een vijfde uit van de omzet op een gespecialiseerd vleesveebedrijf, de zoogkoeienpremie op zijn eentje acht procent. De nieuwe zoogkoeienregeling werd uiteindelijk wat bijgevijld zodat de instapdrempel verlaagde.

Rundvleesproductie en -consumptie
In de Belgische slachthuizen werden vorig jaar 471.000 runderen verwerkt tot rundvlees, en 335.200 kalveren. De kalverhouderij is een ietwat aparte sector met een beperkt aantal sterk gespecialiseerde producenten die sterk afhankelijk zijn van enkele afnemers. Het aantal runderen dat afgevoerd wordt naar de slachthuizen schommelt van jaar tot jaar maar de trend is toch dalend. Dat komt het sterkst naar voren in het geslacht gewicht, dat met 195.600 ton op zijn laagste peil sinds 2001 zit. Het geslacht gewicht van de kalveren en het jongvee zat in 2013 met 54.400 ton op een normaal niveau in vergelijking met voorgaande jaren.

De werkelijke rundvleesproductie ligt hoger omdat je de slachtingen moet corrigeren met in- en uitvoer van levende dieren. Cijfers van Eurostat, bewerkt door het Vlaams Centrum voor Agro- en Visserijmarketing (VLAM), brengen op dat vlak raad. De runderen voor fokkerijdoeleinden buiten beschouwing gelaten, verkasten ruim 61.000 levende runderen naar het buitenland terwijl er maar 18.000 het land ingevoerd werden.

biefstuk.culinair_Lekkervanbijons.geVILT.jpg

Hoewel biefstuk met friet het uithangbord is van de Belgische gastronomie eet de doorsnee Belg almaar minder rundvlees. In 2013 stak hij nog 5,3 kilo rundvlees achter de kiezen. In het thuisverbruik, opgevolgd door GfK PanelServices Benelux in opdracht van marketingbureau VLAM, moet rundvlees de duimen leggen voor kip, vleesmengelingen en varkensvlees. De FOD Economie becijferde op basis van karkasgewicht een daling in de rundvleesconsumptie van 22 procent in acht jaar tijd. VLAM communiceerde een daling in volume met bijna acht procent in één jaar tijd. De prijs kan daarbij een rol gespeeld hebben want vers rundvlees werd in 2013 duurder: van gemiddeld 11,38 euro per kilo ging het naar 12,1 euro per kilo. Misschien zette de consument rood vlees ook wat minder vaak op het menu door de zorgen omtrent de milieu-impact en de gezondheid ervan en vanwege ethische argumenten tegen het doden van dieren.

Voor rund- en kalfsvlees samen bedraagt de zelfvoorzieningsgraad in ons land 140 procent. Dat is minder dan het door varkensvlees (237%) opgetrokken gemiddelde van alle vleessoorten, inclusief gevogelte. Dan spreken we al meteen over een zelfvoorzieningsgraad van 208 procent. Toch is er voor de slachthuizen wat rundvlees op overschot om af te zetten in het buitenland. Voor vers en bevroren rund- en kalfsvlees samen gaat het om een 115.500 ton. Daarvoor zijn de topbestemmingen Frankrijk (30%), Nederland (20%), Duitsland (17%) en Italië (11%). Dertien andere oude EU-lidstaten nemen nog eens 10 procent af. Amper 5.200 ton (5%) vindt afzet in derde landen. Het handelssaldo voor rund- en kalfsvlees is positief en vrij stabiel. We voeren van deze vleessoorten 60.000 à 70.000 ton meer uit dan dat we invoeren.

Wit-blauwe trots
Een reportage schrijven over vleesvee zonder het Belgisch wit-blauwe ras te vermelden, zou een blamage zijn. Critici zullen vooral op de (genetische) gebreken van het ras en de obligate keizersneden hameren, maar het deert de populariteit van de Belgische wit-blauwe runderen amper. De Belg is een biefstuketer en wordt op zijn wenken bediend door dit magere en gespierde rund.

biefstuk_Lekkervanbijons.geVILT.jpg

Geen ander rund heeft zo’n hoog slachtrendement en zet voeder zo efficiënt om in vlees als onze ‘dikbillen’. Dat kwam zelfs de Chinezen ter oren zodat zij sinds een tweetal jaren diepgevroren rundersperma aankopen in ons land ter verbetering van de genetica van de eigen (schrale) veestapel. Zij zijn niet de enigen. Een wit-blauwe stier is in het buitenland populair in kruisingen. Onder meer Britse, Canadese en Amerikaanse veeboeren verhogen zo het rendement van hun dieren. De lage voederconversie heeft naast economische ook milieuvoordelen, in de vorm van een relatief lage CO2-uitstoot per kilo rundvlees.

Concurrentie komt vooral uit de hoek van de Franse vleesveerassen blonde d’aquitaine en limousin. De natuurlijke kalvingen en goede vruchtbaarheid van deze rassen spreken landbouwers aan, zeker in het kader van een biologische bedrijfsvoering. Wie aan thuisverkoop doet, zoekt bovendien vaak zijn toevlucht tot ander rundvlees dan hetgeen in elke supermarkt te koop is. En het speelt zeker mee dat de sterk doorgedreven selectie op bespiering bij Belgisch wit-blauw niet resulteert in een extra vergoeding voor kwaliteit (mager vlees én veel malse biefstuk) bij verkoop. Negatieve gevolgen van het dikbilgen zijn er wel, in de vorm van genetische afwijkingen en een verminderde groei. Ook kruisingen van wit-blauw met Franse en andere vleesrassen hebben een groeiende aanhang. Door te kruisen, voegt men bijvoorbeeld hoogtemaat of lengte toe aan de gespierde maar soms gedrongen wit-blauwe runderen.

Rundvlees als streekproduct
Naar het voorbeeld van Franse vleesveerassen zoals Charolais en Maine Anjou en de Schotse Black Angus hengelt het Belgisch wit-blauw naar een Europese erkenning als streekproduct. Met een beschermde geografische aanduiding zou wit-blauw rundvlees zich bij een select clubje streekeigen voedingsproducten voegen. Doen zeker een belletje rinkelen: Geraardbergse mattentaart, Brussels grondwitloof en Poperingse hopscheuten. Zo’n erkenning zou rundveehouders stimuleren om in de fokkerij opnieuw te opteren voor raszuivere wit-blauwen. En een label met veel uitstraling kan misschien het broodnodige zetje betekenen om specifiek voor rundvlees de nationale trots wat aan te wakkeren…

Bron: eigen verslaggeving

Beeld: VILT / Lekker van bij ons

Volg VILT ook via