nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

22.12.2017 Waarom lukt hier met maïsstro niet wat in Canada kan?

Bij de oogst van korrelmaïs blijft het grootste deel van de plant achter op het veld, waar het verhakselde stro bijdraagt tot de aanvoer van organische koolstof in de bodem. Eén derde van de 400.000 ton maïsstro op Vlaamse akkers zou geoogst kunnen worden als biomassa zonder de bodemvruchtbaarheid te compromitteren. Onderzoekster Anouk Mertens (ILVO/UGent) maakt zich sterk dat een waardeketen voor maïsstro in de bio-economie haalbaar is in Vlaanderen, of het op zijn minst verdient om alle actoren een keer rond de tafel te brengen. Ter inspiratie beschrijft ze het succes dat in Canada geboekt wordt met de productie van suikers uit maïs- en tarwestro. De bio-economie doet er een stad met een olie-industrie in verval economisch herleven.

De voorbije jaren is er in Vlaanderen al heel wat onderzoek gebeurd naar de mogelijke valorisatie van maïsstro. Doorgaans blijft dit op het veld liggen en wordt het onder geploegd. Op die manier draagt het bij tot de aanvoer van organische koolstof in de bodem. Uit voorgaand onderzoek is gebleken dat ongeveer één derde ervan geoogst zou kunnen worden, zonder het peil van de bodemorganische stof in maïsakkers te compromitteren. Naar schatting een 120.000 ton maïsstro is beschikbaar als grondstof voor de bio-economie. Mogelijke toepassingen zijn onder andere de productie van biogas en van cellulosesuikers en bio-ethanol.

Een waardeketen voor maïsstro moet in Vlaanderen haast vanuit het niets ontwikkeld worden. Behalve kennis rond de materie is enkel de productie van maïsstro reeds aanwezig. De volgende stappen zijn de lastigste: het technisch haalbaar en economisch rendabel maken van oogst, transport en verwerking. Sommigen gooien op voorhand de handdoek in de ring omdat het hier te nat zou zijn gedurende de oogstmaanden (oktober-november) voor korrelmaïs. De maïsindustrie in de Verenigde Staten heeft droger weer inderdaad als bondgenoot, evenals uitgestrekte velden die de logistiek vergemakkelijken. Onderzoekster Anouk Mertens (ILVO/UGent) spiegelt Vlaanderen liever aan Canada, waar het in het najaar ook behoorlijk nat kan zijn. “In de provincie Ontario laten ze zich daardoor niet tegenhouden. Na de korrelmaïsoogst wordt het stro op zwad gelegd. Enkel de bovenkant van het zwad wordt in balen geperst zodat er geen aarde aan kleeft.” Proeven in Vlaanderen hebben uitgewezen dat het stro goed bewaard wanneer je het wikkelt in plastic, zoals dat met gras gebeurt.

Loopt elke poging dan niet stuk op de transportkost, die in Vlaanderen vermoedelijk hoger zal zijn dan in de VS of in Canada? “Ook dat is hier al onderzocht, maar de volgende stap is niet gezet. De onderzoekers in kwestie zouden hun kennis moeten delen met transporteurs, en vervolgens samen bekijken welke vragen er nog zijn”, aldus Mertens. “Ook de machinefabrikanten moeten mee aan tafel want er zijn nog tal van uitdagingen, ook qua oogsttechniek, die het nodig maken om de koppen bij elkaar te steken.” Dat gebeurde nog niet zodat de kennis die in vorige onderzoeksprojecten is opgebouwd onbenut blijft. “Meer dan aan een gigantische onderzoeksbudget is er nu nood aan het samenbrengen van alle onderzoekers en andere belanghebbenden om samen uit te maken of de verwerking van maïsstro de moeite loont, of niet.”

Het ontwikkelen van een nieuwe waardeketen houdt een inherent risico in, omdat de deelname van de landbouwers variabel is, en hierdoor ook het maïsstro-aanbod. Volgens de onderzoekster kan dat risico worden ingeperkt: “Door het opzetten van een coöperatieve marktstructuur kan de aanvoer van maïsstro voor grootschalige verwerking deels worden gestabiliseerd.” Toch blijft voorzichtigheid geboden: “In Vlaanderen is grootschalige verwerking moeilijk. Een mogelijke oplossing ligt bij het voorzien van een zekere flexibiliteit in het verwerkingsproces, waarbij verschillende biomassabronnen zouden kunnen worden aangewend”, zegt de onderzoekster.

In Canada staat men al verder met het uit de grond stampen van een bio-economie waarin maïsstro de spil is. “Van hen kunnen we een aantal lessen leren”, zegt de onderzoekster na een bezoek aan de provincie Ontario. Rondom Sarnia, een stad gelegen aan de oevers van Lake Huron, wordt momenteel een maïsstro-waardeketen ontwikkeld. De olieverwerkende industrie zorgde er voor werkgelegenheid maar het aantal jobs daalt sinds de jaren ’80. Daarom werd beslist om de industrie in de regio nieuw leven in te blazen, maar ditmaal met een duurzame industrie. Aangezien suikers de basis vormen van heel wat chemische processen werd ervoor gekozen om suikers te produceren uit biomassa, meer bepaald uit maïs- en tarwestro.

Om deze waardeketen te ontwikkelen, werd een adviescommissie opgericht, bestaande uit alle betrokken actoren: landbouwers en landbouworganisaties, vertegenwoordigers uit de industrie, onderzoekers, en beleidsmakers. Op basis van verschillende studies beslisten de landbouwers om een coöperatie op te richten, de Cellulosic Sugars Producers Cooperative. In deze coöperatie verenigen de landbouwers zich en investeren ze samen in een nieuwe fabriek die de cellulosesuikers zal produceren, uitgebaat door Comet Biorefining. De afzet is al verzekerd met verkoopcontracten want BioAmber toonde interesse in de suikers. Zij maken van deze suikers barnsteenzuur, dat op zijn beurt weer kan omgezet worden in een hele reeks van producten, van verven tot artificieel leer en plastic.

Gevraagd naar het geheim achter het Canadese succes wijst de Vlaamse onderzoekster op een aantal factoren, om te beginnen het gemeenschappelijk doel van de verschillende actoren, namelijk de productie van cellulosesuikers. Een tweede succesfactor is het vertrouwen tussen de landbouwers en de verwerkers dat gecreëerd werd doorheen de tijd, door middel van regelmatige bijeenkomsten. “Elke zes tot acht weken kwam men samen, en klaarde men nieuwe vragen en problemen uit”, is Mertens zichtbaar onder de indruk van de Canadese aanpak. Een derde succesfactor is het feit dat alle mogelijke betrokken actoren vanaf het begin bij het proces betrokken waren. Dit gebeurde door middel van een adviescommissie, die werd begeleid door Bioindustrial Innovation Canada. Uiteindelijk staat of valt alles bij de financiering. De private investeringen nodig voor de bouw van de fabriek zijn ondertussen afgesloten en ook het aantal leden van de coöperatie van akkerbouwers is in opmars, waardoor de financiering zo goed als rond is.

Zou dat ook in Vlaanderen lukken? Volgens de onderzoekster wel, maar de uitbouw van een maïsstro-waardeketen zal focus, flexibiliteit, organisatie en gerichte financiering vergen. Het Canadese voorbeeld kan inspirerend werken. De voorbije jaren is er in Vlaanderen al heel wat onderzoek gebeurd naar de mogelijke valorisatie van maïsstro, en het potentieel van deze grondstof werd gaandeweg steeds duidelijker. De gebundelde onderzoeksresultaten kunnen nu een basis vormen voor discussie en overleg met de landbouwers en hun organisaties, de loonwerkers en hun federatie, de machinefabrikanten en hun federatie, de verwerkende industrie en met beleidsmakers. “Garantie op succes is er uiteraard niet, maar regelmatig overleg tussen alle betrokken actoren kan de motor vormen van een nieuwe waardeketen voor maïsstro in Vlaanderen”, besluit Anouk Mertens.

Bron: eigen verslaggeving

Beeld: ILVO

Volg VILT ook via