nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

06.12.2016 Zorgen om derogatie in Nederland en wat in Vlaanderen?

Het Nederlandse vakblad Boerderij wijdt een artikel aan de derogatie om zijn lezers erop te wijzen dat de ervaringen in eigen land en in de buurlanden leren dat het steeds moeilijker wordt om van Europa een uitzondering op de mestregels te bekomen. De onderliggende boodschap is dat Nederland zal moeten knokken om de derogatie in 2018 te behouden. Daar kunnen we in Vlaanderen over mee spreken want in 2010 en 2015 liet de Europese Commissie ons duidelijk verstaan dat het niet vanzelfsprekend is dat er 250 in plaats van 170 kilo stikstof aan dierlijke mest aangewend mag worden. Daar zijn heel wat voorwaarden aan gekoppeld voor landbouwers, maar ook voor de overheid. Monitoring is er daar één van, zodat de Bodemkundige Dienst van België samen met landbouwonderzoeksinstituut ILVO het effect op de waterkwaliteit op praktijkpercelen opvolgt.

In Nederland moet de melkveehouderij in haar eigen vel snijden, wil de sector de derogatie behouden. Door de groei van de melkveestapel na het verdwijnen van het melkquotum ging de fosfaatproductie door het plafond. Aan dat teveel aan mest wou de overheid wat doen door fosfaatrechten in te voeren, maar die plannen botsten met de Europese regels voor staatssteun. De politiek staat nog altijd achter de invoering van fosfaatrechten. De zuivelsector broedt zelf op een fosfaatreductieplan om de regie niet volledig in handen te geven van de beleidsmakers.

Niets doen is voor onze Noorderburen geen optie want dan wordt de derogatie ingetrokken. Dat is de EU-toelating om onder strikte voorwaarden meer dierlijke mest op het land te brengen dan 170 kilo stikstof per hectare. Nederland is één van de zeven lidstaten die de uitzondering momenteel van Europa bekomen heeft, “maar”, zo schrijft Boerderij, “deze hangt aan een zijden draadje”. Het vakblad baseert zich daarvoor niet alleen op de ontwikkelingen in eigen land. Het aantal lidstaten met derogatie op de Nitraatrichtlijn wordt ook kleiner.

Voor het verkrijgen van de derogatie moet een lidstaat of regio een heel traject doorlopen. De resultaten van het bestaande mestbeleid moeten worden voorgelegd aan de Europese Commissie. Aan de hand daarvan wordt bekeken in hoeverre de normen uit de Nitraatrichtlijn worden gehaald, en of bedrijven met en zonder derogatie een verschillende impact hebben op de waterkwaliteit. Vervolgens moet er een officieel verzoek om derogatie ingediend worden bij de Europese Commissie. Binnen het Nitraatcomité wordt onderhandeld om ervoor te zorgen dat andere lidstaten het verzoek steunen. Het definitieve besluit neemt de Commissie.

In de Europese Unie geniet de veehouderij in zeven lidstaten momenteel van een verhoogde bemestingsnorm voor dierlijke mest: Denemarken, Noord-Ierland, Ierland, Engeland, Schotland en Wales, Nederland, Vlaanderen en Italië. De toegelaten bemestingshoeveelheid wordt er van 170 kilo stikstof opgetrokken naar maximaal 230 of 250 kilo, maar de voorwaarden zijn niet allemaal gelijk. Voor een bondig overzicht per lidstaat surf je best naar Boerderij.

Vooral gespecialiseerde melkveebedrijven doen in Vlaanderen beroep op de derogatie, al is ook de dunne fractie na scheiding van varkensmest een toegelaten mestsoort. Op derogatiepercelen worden eisen gesteld aan het gewas dat er groeit, bijvoorbeeld maïs voorafgegaan door een snede gras, of wintertarwe gevolgd door een groenbedekker. Derogatieboeren zijn ook verplicht om op eigen kosten bodemstalen te laten nemen om het nitraatresidu in het najaar op te volgen. Het complete lijstje met voorwaarden is te lang om op te sommen. Je kan het terugvinden op de website van de Vlaamse Landmaatschappij.

Bij de invoering van het vijfde mestactieplan voor de periode 2015-2018 hebben Vlaamse veehouders tot het begin van de zomer bang moeten afwachten of de derogatie wel goedgekeurd zou worden door Europa. De piek van het bemestingsseizoen zat er toen al op als je weet dat een derogatiebedrijf twee derde van de drijfmest voor 31 mei moet aanwenden op zijn derogatiepercelen.

Uit het getalm met de goedkeuring en de voorwaarden die gekoppeld worden aan de derogatie in de verschillende lidstaten, kan je afleiden dat Europa niet over één nacht ijs gaat. Boerderij meent dat de Commissie steeds een beetje strenger wordt. “De doelen van de Nitraatrichtlijn worden nog onvoldoende gehaald. Voor lidstaten lijkt het daarom steeds moeilijker om derogatie te krijgen. Oostenrijk diende voor 2009 geen nieuwe aanvraag meer in. Duitsland verloor de gunstregeling in 2014 omdat een noodzakelijk geachte wijziging van de mestwetgeving niet werd doorgevoerd.”

In Nederland leeft de vraag of hun huidige derogatie behouden kan blijven en of er met Europa te praten valt over een verlenging ervan in 2018. Vooralsnog zijn de onderhandelingen opgeschort omdat de fosfaatproductie eerst onder het fosfaatplafond moet komen. De Europese Commissie is zeer kritisch voor het Nederlandse mestbeleid. En hoe zit dat voor Vlaanderen? Mogen onze melkveehouders, waarvan er net als in Nederland een aantal fors uitgebreid hebben, op hun twee oren slapen wat betreft hun mestafzet op eigen grond?

We legden de vraag voor aan twee specialisten inzake bemesting met een beroepsloopbaan die alle mestactieplannen overspant. Te beginnen bij Dirk Coomans van het Coördinatiecentrum voorlichting en begeleiding duurzame bemesting (CVBB): “Een lidstaat of regio kan de derogatie pas verkrijgen na goedkeuring van het mestbeleid door Europa. De opvolger van het vijfde mestactieplan moet in het najaar van 2018 groen licht krijgen van Europa en Vlaanderen, maar de ervaring leert dat dit tot het voorjaar van 2019 op zich kan laten wachten. De toewijzing van de derogatie door Europa volgt dan nog later, pas in juni ten tijde van MAP4 en MAP5. Boeren waren in 2011 en 2015 al aan het bemesten terwijl ze nog geen definitief uitsluitsel hadden over de verhoogde bemestingsnorm.”

Coomans waarschuwt dat de verlenging van de derogatie na 2018 geen evidentie is. “Een aantal parameters wijzen uit dat het de goede richting opgaat met de waterkwaliteit, maar wat het aantal rode MAP-meetpunten betreft blijven we hangen rond 20 procent. Hopelijk brengen het huidige en volgende meetjaar (2016-2017 en 2017-2018) een duidelijke daling van het aantal rode MAP-meetpunten, zo niet worden de onderhandelingen voor MAP6 een zware klus en zou het er met andere woorden om kunnen spannen.” Aan de voorbereiding van de derogatieaanvraag zal het alvast niet liggen want het effect van derogatie op de waterkwaliteit, of beter gezegd het gebrek aan enig negatief effect, zal in 2018 opnieuw statistisch onderbouwd kunnen worden. Daarvoor rekent de Vlaamse overheid op de Bodemkundige Dienst van België (BDB) en op landbouwonderzoeksinstituut ILVO.

Jan Bries van de Bodemkundige Dienst: “We volgen meer dan 200 landbouwbedrijven op, kijken naar hun bemestingspraktijken en meten het nitraatresidu in het najaar op zowel derogatie als niet-derogatiepercelen. In het voorjaar nemen we opnieuw stalen om de uitspoeling van stikstof te kennen.” Dit soort monitoring is niet nieuw, maar gebeurt al een klein decennium. De conclusie is telkenmale gunstig voor de derogatieaanvraag van Vlaanderen. De vergelijking tussen percelen met en zonder derogatie leert namelijk dat een verhoogde bemesting met dierlijke mest in combinatie met de strikte derogatievoorwaarden geen statistisch significant negatief effectief heeft op de waterkwaliteit.

Dit jaar gingen er stemmen op dat deze stelling onderhand wel voldoende bewezen is. Toch wordt vastgehouden aan de monitoring, zij het dan in lichtjes gewijzigde vorm. Een gunstig resultaat is nog steeds een stevig argument in de discussie met de Europese Commissie. Bovendien, zo zegt Bries, worden nu per bedrijf meerdere percelen met dezelfde teelt opgevolgd zodat ruimere conclusies op bedrijfsniveau getrokken kunnen worden.

Over de meest recente metingen van het nitraatresidu (oktober-november 2016) kan Bries in primeur aan VILT kwijt dat de resultaten in de lijn liggen van het voorgaande jaar. De wateroverlast in het voorjaar, met half of helemaal mislukte teelten tot gevolg, deed anders vrezen. Evenwel leren de voorlopige resultaten van de staalnamen in opdracht van landbouwers dat de variatie weliswaar groter is dan anders, maar het gemiddeld resultaat is daarom niet slechter. Jan Bries: “Negatieve uitschieters zijn bijvoorbeeld maïspercelen die een landbouwer probeerde te redden door ze te schoffelen en bij te bemesten in juli, na de zondvloed van mei en juni. Ook op tarwepercelen hebben we meer reststikstof gemeten omdat de groenbedekker slecht ontwikkelde door de najaarsdroogte.”

Bron: eigen verslaggeving

In samenwerking met: Boerderij

Volg VILT ook via