nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

25.04.2019 Zuid-Europese boer springt slimmer om met schaars water

De klimaatverandering zal een grote invloed hebben op de productiviteit van gewassen en dieren. Wat de impact lokaal zal zijn, is niet altijd duidelijk en dat zorgt voor onzekerheid bij de landbouwers. Op een bepaald punt zullen ze zich wel moeten aanpassen. “Adaptatie is onmisbaar, en landbouwers weten dit”, zegt onderzoeker Janka Vanschoenwinkel (UHasselt). Volslagen nieuw is dat niet. Wanneer het te droog is, beregenen Noord-Europese landbouwers hun percelen want droogteresistente gewassen vonden hier nog geen ingang. Op dat vlak heeft Zuid-Europa een streepje voor, en kunnen de boeren ginder het schaarse water slimmer inzetten voor irrigatie. Anderzijds beschikken we in onze regio over meer kennis en middelen om de aanpassingen te doen die op termijn nodig zijn. Voor deze vaststellingen viel Vanschoenwinkel de eer van beste doctoraatsonderzoek te beurt, een prijs uitgereikt door de Belgische vereniging voor landbouweconomie (BVLE).

De cijfers liegen er niet om: ons klimaat verandert. In Vlaanderen ligt de temperatuur nu reeds 2,4 graden hoger dan 150 jaar geleden. Het aantal hittegolven is gestegen van één hittegolf per drie jaar in de jaren ‘70 naar één hittegolf per jaar. En het zeeniveau in Oostende is ten opzichte van 1951 gemiddeld met 11,5 centimeter gestegen. Zelfs al lukt het om de opwarming van het klimaat af te remmen, dan nog zullen er niet meer te vermijden gevolgen zijn zoals meer extreme weersomstandigheden. Daarom is het belangrijk om ook aan klimaatmitigatie te doen: maatregelen nemen om onze maatschappij aan te passen aan de klimaatverandering.

In haar doctoraat ‘A novel way of approaching farm-specific climate change adaptation’ richt Janka Vanschoenwinkel van de universiteit Hasselt zich op klimaatadaptatie in de landbouwsector. “Landbouwers hebben zich altijd al aangepast aan veranderende weersomstandigheden”, weet de doctorandus, die nu werkt voor onderzoeksinstituut VITO. “Bij het oogsten van hun graan wachten ze bijvoorbeeld tot het lang genoeg droog blijft.” Het grote verschil nu is dat klimaatverandering veel complexer en groter is dan kleine weersveranderingen uit het verleden. Bovendien is er nog veel onzekerheid over hoe een landbouw zich op bedrijfsniveau moet aanpassen. “Dit komt omdat onze kennis over klimaatverandering eerder op een grote schaal is. Als we lokaal gaan kijken, is het niet altijd duidelijk wat de impact zal zijn”, zegt Vanschoenwinkel.

In een warmer klimaat zullen nieuwe aanpassingen aan de gangbare praktijken op de velden en in de stallen zich opdringen. Janka Vanschoenwinkel geeft als voorbeeld de introductie van teelten die nu vooral in meer zuidelijke regio’s voorkomen. Klimaatmodellen geven volgens de onderzoekster een vals gevoel van veiligheid door te veronderstellen dat landbouwers zich op de meest optimale wijze kunnen aanpassen. “In de praktijk is dit niet het geval omdat landbouwers niet altijd toegang hebben tot alle adaptatiestrategieën. Informatie, technologie of de financiële middelen kunnen ontbreken. Hierdoor schatten modellen de impact van klimaatverandering te rooskleurig in, waardoor beleidsmakers soms minder geneigd zijn actie te ondernemen.”

Aan die inschatting van klimaatadaptatie door landbouw heeft Vanschoenwinkel gesleuteld zodat de prognoses dichter aansluiten bij de realiteit. In het eerste deel van haar doctoraatsstudie, met professor Steven Van Passel (UHasselt/UAntwerpen) als promotor, beschouwde ze zowel plantaardige als dierlijke productie, en dat voor het volledige grondgebied van de EU. Gaat het over het aanpassingsvermogen van de landbouw, dan behoren Belgische boeren in zekere zin tot de ‘gelukvogels’. Hier zijn de kennis en de middelen aanwezig om klimaatadaptatie te doen slagen. Je hebt daar onder meer landbouwbedrijven met voldoende financiële armslag voor nodig, en gedegen landbouwonderzoek. In Oost-Europa ontbreekt het daaraan bij de vele kleine boerenbedrijfjes. De grote voormalige staatsbedrijven die daar actief zijn, springen weinig efficiënt om met de beschikbare hulpstoffen. Het klimaatbewustzijn bij landbouwers is daar nog niet groot. Nochtans dreigt een scherpe daling van het landbouwinkomen, met 50 tot 69 procent naargelang het klimaatscenario. Indien de beleidsmakers daar de juiste ondersteunende maatregelen zouden nemen, kunnen ze dat helpen voorkomen.

Voor het tweede deel van haar onderzoek verengde Janka Vanschoenwinkel klimaatadaptatie tot irrigatie en teeltkeuze. Op dat vlak staan Zuid-Europese boeren en tuinders behoorlijk ver. Nochtans wordt hen net zoals de collega's uit Oost-Europa een lager aanpassingsvermogen toegedicht. De onderzoekster zoekt de verklaring in de waterschaarste die daar al veel langer een probleem is. “Deze week staan de kranten vol over de droogte die zich eigen land nog altijd doet voelen na de zomer van 2018. Boeren zijn hun akkers nu al aan het beregenen en de zomer moet nog beginnen. In relatieve termen is het watergebruik in een land als Spanje kleiner. Schaarste heeft de landbouwers er geleerd om spaarzaam om te springen met water. Met Europese subsidies werden daar vroeger waterbehoeftige teelten ondersteund. Ondertussen is de gewaskeuze bijgestuurd naar meer droogteresistente gewassen zoals olijven. Daar kunnen we in Noord-Europa uit leren.”

Vorige zomer werden er in Vlaanderen zelfs graslanden beregend om te zorgen dat koeien voldoende voeder hadden. In dergelijke droge omstandigheden is irrigatie één van de meest gebruikte adaptatiemechanismes van de landbouw om te reageren op de klimaatverandering. Vanschoenwinkel maakt duidelijk dat beregening als adaptatiemechanisme op grenzen botst: “Er gold een sproeiverbod voor landbouwers. Het probleem is namelijk dat tijdens periodes van droogte niet voldoende water beschikbaar is om alle gewassen te beregenen. De droogte in de zomer van 2018 was zelfs zo erg dat de grondwaterstanden in Vlaanderen op dit eigenste moment nog steeds niet hersteld zijn. Zonder water is irrigatie duidelijk geen goede adaptatiestrategie.”

Om landbouwers op vlak van adaptatie in de juiste richting te sturen, moet je volgens haar naar Zuid-Europees voorbeeld nadenken over de teeltkeuze. Een landbouwer die kiest voor een droogteresistent gewas zal minder snel kiezen om te irrigeren omdat het gewas simpelweg minder water nodig heeft. Vanschoenwinkel ontwikkelde een beslissingsmodel dat deze twee keuzes en hun klimaatimpact simultaan onderzoekt. Hieruit blijkt duidelijk dat Zuid-Europa beter voorbereid is op periodes van grote droogte omdat daar meer droogteresistente gewassen geteeld worden. Bovendien wordt irrigatie in noordelijke regio’s zoals België minder slim ingezet. “Het dient hoofdzakelijk als reddingsmiddel wanneer het eigenlijk al te laat is.”

Wanneer de ware kost van waterschaarste ten laste van de landbouwer komt, zal hij betere adaptatiebeslissingen nemen. Tenminste, als hij daar financieel de middelen toe heeft en vanuit beleid en onderzoek de juiste handvaten en kennis krijgt aangereikt. De meest efficiënte adaptatiestrategieën moeten ook de meest economische zijn. Voor haar onderzoek ontving Janka Vanschoenwinkel van de Belgische vereniging voor landbouweconomie (BVLE) de prijs voor beste doctorale thesis aan een Belgische universiteit. De bijbehorende geldprijs van 2.000 euro ontving ze uit handen van BVLE-voorzitter Guido Van Huylenbroeck.

Bron: eigen verslaggeving

Beeld: VLAKWA

Volg VILT ook via