nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

 

Het is nu of nooit voor de waterkwaliteit in landbouwgebied
09.05.2016  Aanwending van dierlijke mest

Sinds de jaren ’90 is de waterkwaliteit op het platteland sterk verbeterd. Het mestbeleid is daarom niet minder uitdagend voor de Vlaamse landbouwers. In 2014-2015 werd de nitraatnorm overschreden in één op de vijf meetpunten terwijl Europa streng toekijkt op maximum vijf procent overschrijdingen in 2018. De laatste loodjes zullen dus het zwaarst wegen. Om in snel tempo vooruitgang te boeken, wordt er momenteel een opvallende sensibiliseringscampagne rond bemesting gevoerd. Met de steun van de landbouworganisaties ijvert de overheid – alias “MAPman” – voor het nemen van bodemstalen, het opvolgen van adviezen, het respecteren van de bufferstrook naast een waterloop, enz. Mest goed aanwenden is ook een kwestie van de juiste techniek. De klassieke ‘beerton’ die de mest bovengronds spreidt, is niet verboden maar verdwijnt stilaan uit beeld. Op donderdag 12 mei toont de Vlaamse overheid in Merelbeke de modernste bemestingstechnieken.

Aanstaande donderdag organiseert het Departement Landbouw en Visserij in Merelbeke, op de terreinen van onderzoeksinstituut ILVO, een demonstratie van moderne bemestingstechnieken. In de voormiddag tonen stalmestverspreiders hun kunnen, later op dag is het de beurt aan drijfmestcombinaties op grasland. “Iedere twee jaar organiseert de Vlaamse landbouwadministratie een machinedemonstratie. Telkens zoeken we aansluiting bij een actueel beleidsthema. Twee jaar geleden was dat erosiebestrijding, nu is dat het vijfde mestactieplan dat een verdere verbetering van de waterkwaliteit beoogt”, vertellen Bart Debussche en Mathias Abts, beiden actief in de voorlichting van landbouwers.

In het verleden lokte de machinedemonstratie telkens honderden bezoekers, voornamelijk landbouwers. Ook ditmaal wordt gemikt op een professioneel publiek. De fabrikanten tonen niet alleen hun grootste en duurste materiaal. Zij brengen ook kleinere modellen mestverspreiders mee die eenvoudiger uitgevoerd zijn. Eerst zullen de machines op maat van landbouwers gedemonstreerd worden en daarna de machines die vooral de interesse van loonwerkers zullen wekken. In totaal tonen 16 drijfmestcombinaties (mesttank plus tractor ofwel een zelfrijder) en 10 stalmestverspreiders hun kunnen. Daarbij zijn stalmestverspreiders met een weegsysteem en een drietal erg innovatieve drijfmesttanks die doorlopend de samenstelling van de mest meten met behulp van een NIR-sensor, waarover je in een twee jaar oud VILT-artikel meer leest. Gelet op de doorbraak die dit kan betekenen voor het beter benutten van mest is de overheid er als de kippen bij om de techniek aan het grote publiek te tonen.

mest.grasland.geVILT.jpg

Aan de machinedemonstratie gaat veel voorbereiding vooraf zodat de organisatoren hopen op een talrijke opkomst. Mathias Abts prevelt een schietgebedje voor de weergoden. Hij hoopt dat de veldwerkzaamheden goed opschieten zodat boeren de tijd vinden om naar Merelbeke te komen. Dat het de moeite loont, daar mag je niet aan twijfelen. Nergens anders kan je zoveel mestverspreiders van verschillende Belgische en Nederlandse fabrikanten op hetzelfde moment aan het werk zien. De commentatoren verstrekken het publiek onafhankelijke informatie, geen verkoopspraatjes. En de brochure die uitgedeeld wordt, bevat naast een beschrijving van de mestcombinaties ook extra informatie over oordeelkundig bemesten. Je merkt dus aan alles dat het om een niet commercieel initiatief van de overheid gaat.

Verbetering waterkwaliteit is geen gelopen race
Het belang dat de overheid heeft bij de machinedemonstratie ligt voor de hand. Voortgestuwd door Europa wil Vlaanderen de verbetering van de waterkwaliteit nog versnellen richting 2018. Bemesten wordt hoe langer hoe meer precisiewerk, en dat lukt nu eenmaal beter met moderne machines. Bovendien is zo’n demonstratie een goede gelegenheid om de ‘sense of urgency’ bij landbouwers aan te wakkeren. 2016 wordt namelijk een cruciaal jaar voor het mestbeleid en de waterkwaliteit. Niet alleen is 2018 – en de doelstelling van maximaal vijf procent rode meetpunten – schrikwekkend nabij. De tussentijdse evaluatie in opdracht van de Europese Commissie is nog korter dag. “De bemesting dit seizoen is bepalend voor de waterkwaliteit tijdens het meetjaar 2016-2017. En het is met deze resultaten dat Vlaanderen tegenover Europa moet hardmaken dat het bijgestuurde mestbeleid werkt”, weet Kevin Grauwels, beleidsmedewerker bij de Vlaamse Landmaatschappij (VLM).

Vlaanderen en Europa staren zich niet blind op het aantal rode MAP-meetpunten, de evaluatie van het mestbeleid is gesofisticeerder dan dat. “Bij het rapporteren aan de Europese Commissie kijken we bijvoorbeeld ook naar het aantal overschrijdingen van de nitraatnorm (50 mg nitraat per liter water). Een meetpunt met één overschrijding kleurt immers net zo rood als een meetpunt waar bijvoorbeeld viermaal te veel nitraat gemeten werd”, licht Grauwels toe. “Het percentage rode MAP-meetpunten heeft het voordeel van de duidelijkheid. Deze indicator leent zich uitstekend voor het benoemen van het probleem zodat de doelstelling aan deze indicator gelinkt is.”

melkkoe_LoonwerkDefour.geVILT.jpg

Het aandeel rode MAP-meetpunten geeft ook de trend in de waterkwaliteit goed weer. Bij het einde van het vierde mestactieplan schommelde dat percentage rond 20 à 21 procent. We komen van om en bij de 38 procent rode MAP-meetpunten eind jaren 2000 en nog altijd 28 procent meetpunten met minstens één overschrijding in 2010. In dat opzicht zou je de 21 procent rode MAP-meetpunten in meetjaar 2013-2014 een opsteker kunnen noemen, maar weet dan dat het in snel tempo nog veel beter moet. Het vijfde mestactieplan beoogt maximaal vijf procent rode MAP-meetpunten in 2018. En wat daarna? Vlaanderen heeft met de Europese Commissie overeengekomen dat een marge van vijf procent gehanteerd kan worden bij het realiseren van de nitraatrichtlijn. “Door de vele meetpunten en het kleine debiet in Vlaamse waterlopen meten we snel het effect van een incident. Door de Zwarte Beek in het Demerbekken stroomt nu eenmaal minder water dan door de Po in Noord-Italië”, verklaart de beleidsmedewerker van VLM de kleine marge.

Lastige maar geen onmogelijke opgave
Vergis je niet, die vijf procent belooft al moeilijk genoeg te worden als doelstelling. “Landbouwers die actief zijn in een regio met een minder goede waterkwaliteit moeten zich optrekken aan de positieve resultaten elders. Het moet hen motiveren dat ze zien dat het mogelijk is om te evolueren van focusgebied naar niet-focusgebied”, houdt Grauwels de moed erin. De voorbeeldregio’s zijn de bekkens van Nete en Dender, waar de doelstelling van MAP5 reeds gehaald wordt. Op schema zit men in het Dijlebekken, de Brugse Polders, de Gentse kanalen en de Beneden-Schelde. In de bekkens van Boven-Schelde en Demer werd de doelstelling van MAP4 (maximum 16 procent rode meetpunten) net niet gehaald. Voor de grootste opgave staan de landbouwers die actief zijn in de bekkens van Maas, IJzer en Leie. Met bijna 40 procent meetpunten met een normoverschrijding in 2014 lijkt vijf procent daar heel veraf.

Mocht de tussentijdse evaluatie in 2017 niet het verhoopte resultaat opleveren, dan mag dat landbouwers niet uit het lood slaan. “De tussentijdse evaluatie van het mestbeleid wordt na twee van de vier jaar opgemaakt. In de praktijk is 2016 het eerste jaar dat MAP5 volledig uitwerking heeft en landbouwers er goed van op de hoogte zijn. Het zou dus kunnen dat net zoals ten tijde van MAP4 de grote sprong voorwaarts nog even op zich laat wachten. Bij MAP4 daalde het aantal rode MAP-meetpunten pas in winterjaar 2013-2014 van 26,1 naar 20,7 procent.”

Nitraatprobleem vraagt om een eindspurt terwijl fosfaat een marathon is
Het informeren van landbouwers heeft bloed, zweet en tranen gekost vanwege de complexiteit van MAP5. Het Departement Landbouw en Visserij organiseerde samen met de Vlaamse Landmaatschappij een dozijn studieavonden, verspreid over gans Vlaanderen. Op één avond licht je niet het volledige mestbeleid toe zodat er gefocust werd op een aantal aspecten, zoals de bijkomende voorwaarden voor focusbedrijven en de gewijzigde bemestingsnormen voor fosfaat. Landbouwers die hun zinnen op 2018 hebben gezet, moeten goed beseffen dat het mestbeleid een werk van lange adem blijft. Anders dan nitraat is fosfaat een weinig mobiel nutriënt in de bodem en weten we nu al dat het probleem in 2018 niet opgelost zal zijn. Fosfaat spoelt minder snel uit naar het oppervlaktewater. Dat is op zich een goede zaak, maar een fosfaatverzadigde bodem is niet onschuldig want zo’n perceel ‘lekt’ fosfaat naar het oppervlaktewater. Daar zorgt te veel fosfaat voor overmatige algengroei en een slechte waterkwaliteit.

wortel_LoonwerkDefour.geVILT.jpg

“Het is niet omdat een probleem oplossen lang duurt dat je het niet moet aanpakken”, is Grauwels duidelijk over de taak die wacht. Zo’n hardnekkig probleem vraagt wel een andere manier van werken. Het zou zinloos zijn om de Vlaamse landbouwers op korte termijn vast te pinnen op een aantal normoverschrijdingen zoals dat voor stikstof gebeurt. Er is voor gekozen om de fosfaatbemestingsnormen geleidelijk te verlagen, en dat meer uitgesproken te doen op percelen met een grote bodemvoorraad fosfaat. MAP5 zet namelijk in op het ‘uitmijnen’ van deze bodemvoorraad. Alle percelen worden voor dat doel ingedeeld in vier fosfaatklassen. De bemestingsnorm is afhankelijk van deze klasse (I t.e.m. IV) en van de teelt. De indeling gebeurt op basis van bodemanalyses. Ontbreekt het daaraan, dan komen percelen terecht in de referentieklasse. Dit jaar is de referentie nog klasse drie maar volgend jaar wordt dat klasse vier.

De impact van de nieuwe fosfaatbemestingsnormen op de bedrijfsvoering van landbouwers is bijzonder groot. Mathias Abts en Bart Debussche proberen het zo aannemelijk mogelijk voor te stellen: “Eenvoudig gesteld gaan de fosfaatnormen 20 procent omlaag op de percelen die volgend jaar van klasse III in klasse IV belanden. Voor maïs daalt de norm bijvoorbeeld van 70 naar 55 kilo fosfaat. Ten tijde van MAP4 werd nog 80 kilo fosfaat uit dierlijke mest aan een hectare maïs toegediend. Dat stemt nu overeen met fosfaatklasse II, een klasse die voorbehouden is voor de percelen waar de bodemvoorraad fosfaat in evenwicht is met de onttrekking door het gewas. Alleen op percelen in klasse I mag meer fosfaat opgebracht worden dan de plant kan benutten.”

Fosfaatnormen doorkruisen de bemesting met stikstof
De voorlichters van de landbouwadministratie geloven dat een landbouwer die alle puzzelstukken van de bemesting juist legt een opbrengstverlies kan vermijden. “De bodemanalyses en indeling in fosfaatklassen houdt alleen rekening met de voor de plant beschikbare fosfaat in de bodem, dus hoeft het gewas geen tekort te ervaren wanneer er minder fosfaat wordt toegediend via bemesting.” Waar Mathias Abts en Bart Debussche niet omheen kunnen, is dat de mestwetgeving het almaar moeilijker maakt om met ruwe dierlijke mest de stikstofbehoefte van een gewas al voor een groot stuk in te vullen. Kevin Grauwels van VLM beaamt: “De norm voor stikstof uit dierlijke mest bedraagt 170 kilo per hectare maar op een klasse IV-perceel met een lage bemestingsnorm voor fosfaat kan je zoveel stikstof niet opbrengen met drijfmest, en al zeker niet met varkensmest.”

zeug.big_LoonwerkDefour.geVILT.jpg

Het resultaat daarvan zal zijn dat mestafzet een pak duurder wordt voor Vlaamse varkenshouders, zeker in de regio’s met een te krappe ruimte voor mestafzet. Vanuit West-Vlaanderen en de Noorderkempen gaat er vandaag reeds veel mest op transport naar de akkerbouwstreken. Volgend jaar zal de afzetruimte op eigen grond daar nog verkleinen zodat meer mest op transport of naar de verwerkingsinstallatie moet. Debussche verklaart zich nader: “In deze regio’s is historisch veel mest aangewend zodat maar weinig percelen na staalname in klasse I of II zullen belanden.” En we weten ondertussen wat dat betekent: een (aanzienlijke) daling van de bemestingsnormen op de percelen in klasse III en IV.

Landbouwers tellen hun drijfmestgift in ‘kuubs’ per hectare zodat de ambtenaren dit even voorrekenen: “Een varkenshouder die tot voor kort 18 kuub varkensmest per hectare voerde, mag dit jaar op een klasse III-perceel 14 kuub opbrengen. Valt dat perceel volgend jaar in de hoogste referentieklasse, dan kan hij er maar 11 kuub meer op kwijt.” Bij dergelijke lage hoeveelheden – begin jaren 90 moest men landbouwers er nog van overtuigen dat je maïs kan telen met minder dan 100 kuub drijfmest – wint het homogeen spreiden van de mest aan belang.

Volgens Abts kan je 11 kuub niet mooi egaal spreiden indien dat bovengronds met de klassieke ‘beerton met ketsplaat’ gebeurt. Landbouwers hebben vorige zomer al ervaren hoe lastig het is om zulke kleine hoeveelheden zo goed mogelijk te verdelen over een hectare. Bij het bemesten op de graanstoppel mag na 31 juli niet meer dan 36 kilo werkzame stikstof per hectare opgebracht worden. Dat beperkt de dosis tot maximaal 12,5 ton runderdrijfmest of 7,4 ton varkensdrijfmest per hectare wanneer gerekend wordt met de forfaitaire inhoud van de mest. Wie vorige zomer een tractor met beerton zag ‘racen’ over een pas geoogst graanveld weet nu waarom.

Mest scheiden om stikstof en fosfor te ontkoppelen
De oplossing voor het beter benutten van de stikstof in dierlijke mest zal van mestscheiding moeten komen. Professor Jeroen Buysse (UGent) liet dat eerder dit jaar duidelijk verstaan in een interview met VILT over het INEMAD-project. De dunne fractie die vooral stikstof bevat, zal op Vlaamse velden aangewend worden terwijl de fosforrijke dikke fractie geëxporteerd kan worden. Gelet op de resultaten van veldproeven hoopt de landbouweconoom dat er voor de dunne mestfractie een toekomst als kunstmestvervanger is weggelegd.

Ook Kevin Grauwels denkt dat de huidige mestwetgeving landbouwers in de richting van mestscheiding gaat sturen. VLM onderzoekt momenteel hoe mestbewerkingstechnieken, waaronder mestscheiding, voor een betere valorisatie van dierlijke mest op het bedrijf kunnen zorgen. Hierbij wordt gezocht naar de meest kostenefficiënte technieken. Grauwels onderstreept daarnaast het belang van een goede aanwendingstechniek gelet op de krappe bemestingsnormen. Hij verwijst naar een homogene spreiding van de mest maar ook naar het ammoniakemissiearm aanwenden ervan. De mest injecteren op een akker reduceert het ammoniakverlies met 95 procent (!) ten opzichte van bovengronds openspreiden en niet snel onderwerken. Minder stikstofverliezen naar de lucht betekent meer stikstof in de bodem, wat belangrijk is wanneer de fosforbemesting limiterend is.

mestinjecteur_LoonwerkDefour.geVILT.jpg

Je vraagt je af waarom er überhaupt nog mest bovengronds wordt opgebracht. “Dat heeft met tijdsdruk te maken”, weet Bart Debussche. Het spaart een loonwerker tijd uit wanneer de landbouwer zelf de mest onderwerkt. Ideaal is het volgens de voorlichters van de landbouwadministratie niet. Behalve het ammoniakverlies dat oploopt wanneer er wat tijd verstrijkt tussen het opbrengen en onderwerken van de mest kleven er nog andere nadelen aan. Mathias Abts somt ze op: “De mest in een extra werkgang onderwerken, kan bodemverdichting geven door het slippen van de banden. Bovendien kan je de hoeken van een (klein) perceel niet netjes afwerken zonder injecteur. Hoe lager de drijfmestgift hoe sneller je in het gewas de gevolgen van een heterogene spreiding zal zien.”

Tijdens de machinedemonstratie komt alleen het spreiden van drijfmest op grasland aan bod. Van echt onderwerken van de mest is dan geen sprake omdat de graszode niet beschadigd mag worden. De stikstofverliezen liggen bijgevolg wat hoger dan bij mestinjectie op een akker. Met technieken zoals sleepslangbemesting (-50 tot -80%) en nog meer bij zode-injectie (-80 tot -90%) kan de ammoniakemissie toch aanzienlijk gereduceerd worden. Behalve van de toedieningstechniek hangt de hoeveelheid stikstof die verloren gaat ook af van de mestsamenstelling, de mestgift en van omgevingsfactoren zoals het weer en de bodem. Bemesten volgens de regels van de kunst wil zeggen dat je al die factoren in je voordeel tracht te manipuleren. “Landbouwers kunnen rekening houden met het weer bij het bemesten van hun grasland, en doen dat in veel gevallen al”, verrast Debussche. “Door gras net voor of tijdens een lichte regenbui te bemesten, verbetert de werkzaamheid van de mest en vermijd je dat de graszode verbrandt.”

Wil je meer tips en informatie over het aanwenden van mest en zelf de goede werking van de nieuwste machines verifiëren? Bezoek dan nu donderdag de machinedemonstratie ‘Bemestingstechnieken organische mest’ in Merelbeke. De demodag start om 10 uur op de terreinen van onderzoeksinstituut ILVO in Merelbeke. Eerst gaat alle aandacht naar het spreiden van stalmest, in de namiddag gevolgd door drijfmesttoediening op grasland. Bereid je alvast voor met deze tien geboden voor een duurzame bemesting, helder uitgelegd aan de VILT TeeVee-camera door Dirk Coomans van het Coördinatiecentrum voorlichting en begeleiding duurzame bemesting (CVBB).
 

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via