nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

 

17.01.2017 "Reconversie van landbouwbedrijf moet aantrekkelijker"

De ruimtelijke concurrentie in het volgebouwde en versnipperende Vlaanderen baart ook de landbouwer zorgen. Is er morgen nog ruimte om te boeren? Dat was de centrale vraag van de studiedag die het Algemeen Boerensyndicaat (ABS) organiseerde in de marge van landbouwbeurs Agriflanders. Het was vooral de presentatie van ILVO-onderzoeker Anna Verhoeve die stof deed opwaaien. Verhoeve is een Vlaamse autoriteit als het gaat om het oneigenlijk gebruik van agrarisch gebied. 

Verpaarding, vertuining, landbouwhoeves die omgebouwd worden tot autogarages en wellnesscentra,… Het zijn allemaal fenomenen waar elke landbouwer in zijn omgeving al mee geconfronteerd is geweest, maar die steevast in de schaduw staan van de grote grondendossiers à la Antwerpse haven. Toch is de urgentie van de problematiek nauwelijks te overschatten, zo betoogde ILVO-onderzoeker Anna Verhoeve tijdens de studiedag van ABS. Verhoeve rondde in 2016 haar doctoraat af rond de inname van hoeves en landbouwgronden door niet-agrarische economische activiteiten.

“Als er niets verandert dan moet ik helaas nee antwoorden op de vraag of er in de toekomst nog ruimte zal zijn om te boeren”, zo schudde Verhoeve alle aanwezigen meteen wakker. Ze verwees naar de Vlaamse verkavelingsdrift, de ontwikkeling van nieuwe industrie en dus ook naar de geleidelijke inname van landbouwareaal door niet-landbouwactiviteiten. “In Vlaanderen is er geen enkele hoek over waar je een strategisch landbouwareaal zou kunnen vestigen”, aldus Verhoeve. "Het ligt verspreid en versnipperd tussen steden, dorpskernen, natuur en industriegebieden.”

Elke dag verdwijnt zo’n 6 hectare onder beton of asfalt in Vlaanderen. Onder meer de Vlaamse Bouwmeester hamerde eind vorig jaar nog maar eens op het belang om het roer om te gooien als we binnen enkele decennia nog open ruimte willen overhouden. “Het besef dat er iets moet gebeuren groeit gelukkig”, aldus Verhoeve. “Maar als we de problematiek echt ten gronde willen aanpakken, dan is het belangrijk dat we die zo goed mogelijk in kaart brengen en is daarbij ook voldoende aandacht nodig voor minder zichtbare fenomenen.”

Verhoeve doelt daarmee op de vele individueel aangestuurde kleine veranderingen in het landschap, ogenschijnlijk verwaarloosbare omzettingen die, samen beschouwd, wel degelijk een groot aandeel landbouwgrond weghappen. Hoe groot die hap precies is, bleef lang een onbeantwoorde vraag. De laatste jaren echter wordt steeds meer onderzoek verricht naar de impact van die sluipende inname. Ongeveer 15 procent van het landbouwareaal wordt ingenomen door tuinen, paardenweides en niet-agrarische ondernemingen, zo bleek vorig jaar. "In sommige regio’s is er sprake van 30 procent, in sommige gemeenten zelfs 45 procent. “Dat zijn geen kleine getallen meer”, aldus Verhoeve.

Andere cijfers die tonen hoe de situatie er vandaag voor staat: 90 procent van alle nieuwe tuinoppervlakte bevindt zich in agrarisch gebied; 98 procent van de paardenweides is bestemd voor recreatie; slechts 15 procent van de niet-agrarische ondernemingen in landbouwgebied komt in aanmerking voor een vergunning. “Dat is overigens niet enkel de schuld van niet-landbouwers”, zo voegt Verhoeve daaraan toe. “Ook landbouwers of kinderen van landbouwers ontwikkelen niet-agrarische activiteiten in agrarisch gebied. Dat doen ze bijvoorbeeld om hun inkomen te verhogen. In andere gevallen is het een resultaat van verbreding.”

Niet-landbouwers komen in agrarisch gebied terecht als starter op zoek naar een betaalbare vestigingsplaats, een kleine bedrijfsruimte of om activiteiten te ontwikkelen die gericht zijn op rurale karakteristieken, zoals bijvoorbeeld een wellnesscentrum. Anderzijds zijn er ook activiteiten die systematisch geweerd worden van bedrijventerreinen, zoals dat bijvoorbeeld voor grondwerkers soms het geval is.

“De conclusie is dus duidelijk: vele kleintjes maken een groot. Ook de grondprijzen zijn daarbij een indicator. In mijn onderzoek is 135.000 euro het voorlopige record voor een hectare landbouwgrond. Die prijs is misschien gunstig voor de verkopende boer, maar voor de boer van de toekomst is dat dramatisch. Geen enkele landbouwactiviteit verantwoordt zo’n hoge grondprijs. De landbouwer zelf draagt met andere woorden ook zelf een verantwoordelijkheid.”

Hoe moet het verder? Kan dit probleem zomaar gestopt worden? “In de eerste plaats is een goede opvolging van de situatie, inclusief het verzamelen van zo veel mogelijk relevante data, absoluut essentieel”, aldus Verhoeve. “Daarnaast denk ik dat er vanuit de overheid nagedacht moet worden over een systeem om de reconversie van agrarische bedrijven aantrekkelijker te maken. Vandaag is het aantrekkelijker om een landbouwbedrijf te verkopen en op datzelfde perceel een nieuwbouw op te trekken.” 

“En dat is niet langer van deze tijd als we de strijd tegen de verharding ernstig nemen”, zo besluit Verhoeve. “Nog een feit: de gemiddelde boer is vandaag 55 jaar. Dat betekent dat er heel wat landbouwers op pensioen zullen gaan de komende twee decennia en er heel wat landbouwgrond beschikbaar zal komen. De landbouwsector zelf moet met andere woorden ook dringend aan zelfonderzoek doen om te bekijken welke rol de sector zelf kan spelen om open ruimte te vrijwaren. Eén ding staat vast: de urgentie kan niet overschat worden.”

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via