nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

24.05.2019 Sp.a verlangt onderzoekscommissie voor de mestfraude

Tijdens het politiek debat voorafgaand aan de goedkeuring van het zesde mestactieplan hebben Groen, sp.a en onafhankelijk parlementslid Hermes Sanctorum niet nagelaten om hun ongenoegen te uiten over oude en nieuwe beleidskeuzes. Vlaams volksvertegenwoordiger Bruno Tobback (sp.a) liet verstaan dat hij dermate ontgoocheld is dat hij liever van academici dan van politici zou horen of de slechte waterkwaliteit in landbouwgebied überhaupt nog oplosbaar is op de manier dat Vlaanderen het probeert. Wat de verhalen over mestfraude betreft, blijft hij bij zijn voornemen om na de verkiezingen om een parlementaire onderzoekscommissie te verzoeken. Het stoort hem dat in de sector blijkbaar geweten is dat er cowboys actief zijn, maar niemand namen wil noemen. Ook Groen stuurt aan op een onderzoek in alle onafhankelijkheid.

Lang, maar nooit saai. Zo kan je het debat omschrijven dat in het Vlaams Parlement voorafging aan de stemming van het nieuwe Mestdecreet. Groen-parlementsleden Bart Caron en Björn Rzoska hadden een schot voor de boeg gelost met hun reflectienota over het mestactieplan. Tinne Rombouts (CD&V), voorzitter van de milieucommissie, had duidelijk de moeite genomen om die nota aandachtig te lezen. Ze blijft van mening dat heel wat punten van kritiek weerlegd worden door het zesde mestactieplan.

Contraproductief vindt ze de insinuatie dat er massaal gefraudeerd wordt met mestverwerking, en er een omerta heerst in de sector. Zij die dat zeggen en schrijven, onderbouwen dat volgens haar niet met cijfers. Het staat vast dat er fraude voorkomt en, zo zegt Rombouts, “dat wordt ook openlijk meegegeven in het mestrapport van de Vlaams Landmaatschappij”. Net daarom voorziet het Mestdecreet in extra instrumenten voor handhaving, zoals de debietmeters voor mestverwerkingsinstallaties.

Als het van Bruno Tobback (sp.a) afhangt, dan bijt een parlementaire onderzoekscommissie zich vast in de fraudeverhalen. Ook Groen stuurde via een amendement in het decreet aan op een onafhankelijk onderzoek, maar kon de meerderheid daar niet toe verleiden omdat zo’n onderzoek geen aparte decretale basis behoeft. De kritiek dat vermoedens van fraude niet gestaafd worden, vindt Tobback onterecht: “In 2017 werd 0,42 procent van de mesttransporten op het terrein gecontroleerd. De fraude zit bij die andere 99,5 procent die geen controle kreeg.” Daar hoort de bedenking bij dat de Mestbank wel degelijk meer mesttransporten controleert, vanop afstand weliswaar met behulp van AGR-GPS. Debietmeters zijn een nieuw voorbeeld van hoe technologie de handhaving van het mestbeleid ondersteunt, en ze komen er met een reden gezien de onthullingen omtrent (half)lege mesttransporten richting verwerkingsinstallatie.

Toch twijfelt Groen-parlementslid Bart Caron of de Mestbank opgewassen is tegen zijn taak: “Hoe kan je met 26,8 VTE voor handhaving, zelfs al heb je de beste elektronica van de wereld, het ganse landbouwgebied en alle mestverwerkers en mesttransporteurs controleren?” Dat cijfer werd overigens gecorrigeerd door Rombouts: “Vandaag zijn er op de dienst Handhaving 51 VTE tewerkgesteld, waarvan 26 doorlichters en 25 effectieve handhavers.” De vrees dat de Mestbank nog niet klaar is om MAP6 correct te handhaven, wordt gedeeld door Wilfried Vandaele (N-VA). “Er is een gebrek aan inzetbaar personeel en de nodige technologie is nog niet af.”

Een ander pijnpunt dat Vandaele ziet, zijn de te lage boetes. “Ze gaan van 250 euro tot 2.500 euro, wat niet te laag is voor die kleine landbouwers met goede bedoelingen, maar wel te laag voor de grote fraudeurs.” Voorts kan het bijgestuurde Mestdecreet hem wél overtuigen. Hij verdedigde het tegenover zijn collega's in het halfrond als “een eerbaar compromis”. Het oorspronkelijke voorstel van minister Joke Schauvliege wou Vandaele niet goedkeuren. Via een politiek compromis tussen de meerderheidspartijen zijn verstrengingen aangebracht, die het N-VA-parlementslid en zijn partij over de streep hebben getrokken. Vandaele verwees onder meer naar gemiddelde nitraatconcentratie waarvoor 18 milligram nitraat de norm wordt, en niet 20 milligram. “Ook komt er 33.400 hectare bij waarvoor landbouwers extra maatregelen moeten nemen, en de versoepelingen voor gebiedstype 0 verdwenen.”

Dat het mestbeleid het resultaat is van een politiek compromis verklaart volgens Bruno Tobback de impasse. “MAP6 is de zoveelste poging om via een alsmaar ingewikkelder en vaak ook moeilijker te controleren systeem een gaatje in de dijk te stoppen. Ook in dit nieuwe MAP zijn een aantal van die nieuwe complexiteiten ofwel halfslachtig ofwel onzinnig, zoals de afkoopregeling voor vanggewassen. Voor een aantal landbouwers zal het inderdaad niet gemakkelijk worden, maar het einddoel van al 20 jaar van mestactieplannen is niet gemak maar resultaat. Dat resultaat gaat achteruit.”

Ook onafhankelijk parlementslid Hermes Sanctorum vindt de complexiteit van het Vlaamse mestbeleid problematisch, en noemt het een gevolg van het proberen ontzien van landbouwers. Als voorbeeld geeft hij de nieuwe meetmethode, waarbij de piekmetingen ingeruild worden voor gemiddelden (op niveau MAP-meetpunt) van gemiddelden (op niveau afstroomzone) van gemiddelden (over drie jaar). “En het doel niet is niet de streefwaarde van 18 milligram per liter te halen, maar het verschil tussen die streefwaarde en de huidige gemiddelde concentratie – wat men de doelafstand noemt – te doen dalen. Wacht, niet de doelafstand zelf, maar het gemiddelde van de doelafstanden over de diverse afstroomzones moet dalen, met 4 milligram per liter.”

Open Vld-parlementslid Francesco Vanderjeugd deed zijn best om de gemoederen te sussen: “We willen allemaal hetzelfde, en dat is de waterkwaliteit verbeteren. Voor de landbouwsector gaat MAP6 te ver, voor de milieuorganisaties niet ver genoeg. En toch heb je een beleidskader nodig om in te werken.”

Tegen 2027 verwacht Europa van Vlaanderen dat de normen voor een goede waterkwaliteit bereikt zijn. Tot 2014 boekte Vlaanderen met zijn mestbeleid gestaag vooruitgang. Nadien bleven de meetresultaten ongeveer onveranderd en de laatste twee winters verslechteren ze. “Huishoudens en bedrijven hebben hun impact op de waterkwaliteit drastisch verminderd – door milieuheffingen, gescheiden riolering en lozingsnormen voor bedrijven –, maar landbouw blijft achterop”, besluit Bart Caron (Groen). “Hoewel landbouw stappen vooruit heeft gezet, blijft de sector verantwoordelijk voor 61 procent van de stikstofvervuiling en 44 procent van de fosfaatvervuiling.”

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via