nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

 

27.03.2017 Wat kunnen EU en landbouw nog voor elkaar betekenen?

Afgelopen zaterdag is de ondertekening van het Verdrag van Rome herdacht, dag op dag 60 jaar geleden. De staatshoofden en regeringslanden van de 27 lidstaten die een doorstart willen maken met het Europese project stonden in Rome stil bij het verdrag dat gestalte gaf aan een economische gemeenschap van zes Europese landen. Aanvankelijk leek landbouw eerder een twistpunt dan een bindmiddel voor de piepjonge EEG van zes lidstaten. Een samenspel van factoren deed landbouw onverwachts uitgroeien tot de motor van de Europese eenmaking. Blijft voedselproductie hoog op de Europese agenda staan, of kan de Brexit lidstaten op het idee brengen om hun landbouwbeleid opnieuw zelf in handen te nemen? We vroegen het aan twee specialisten: Hendrik Vos (UGent) en Joris Relaes (KU Leuven).

Door de ondertekening van het Verdrag van Rome op 25 maart 1957 brachten België, Nederland, Luxemburg, Frankrijk, West-Duitsland en Italië een gemeenschappelijk markt tot stand, creëerden ze een douane-unie en namen ze zich voor een gemeenschappelijk landbouw-, handels- en vervoersbeleid te voeren. In de decennia nadien zou 'Europa' steeds meer bevoegdheden krijgen, uitgroeien tot een Europese Gemeenschap en vervolgens een Europese Unie, en alles samen 28 lidstaten tellen. Anno 2017 hebben de Britten, die het Europese project nooit echt een warm hart hebben toegedragen, het plan opgevat de Unie opnieuw te verlaten. Het zijn de leiders van de andere lidstaten die op 25 maart terugkeerden naar Rome om een doorstart te maken met een Unie van 27 landen.

Het Verdrag van Rome is ontzettend belangrijk gebleken voor landbouw. Eerst wees niets erop dat de Europese integratie voor dit beleidsdomein voortvarend zou verlopen. “Noem landbouw niet het bindmiddel van de toenmalige EEG want dat is te mooi geformuleerd”, zegt Europakenner Hendrik Vos. “Landbouw belandde in het Verdrag van Rome omdat de Fransen hun instemming met een eengemaakte markt daaraan verbonden. Frankrijk vreesde dat zijn industrie niet opgewassen was tegen de concurrentie uit Duitsland. Als onderpand vroegen de Fransen dat de Duitsers zouden meebetalen aan de bescherming van hun landbouwsector. In feite is het dus de onderhandelingstactiek van de Fransen die het Europese landbouwbeleid heeft doen ontstaan.”

“Het opzet van het Verdrag van Rome was niet om veel aandacht te besteden aan landbouw, maar de kaderartikelen die ingeschreven werden in het verdrag boden achteraf bekeken veel ruimte om een Europees beleid voor landbouw te ontwikkelen”, weet Joris Relaes, administrateur-generaal van onderzoeksinstituut ILVO, tevens gastdocent landbouweconomie en voedselbeleid aan de KU Leuven. “Eerst leek het alsof landbouw een struikelblok zou worden voor de pas opgerichte EEG, maar het is anders uitgedraaid. Het landbouwbeleid kreeg een eigen dynamiek en legde in Europa een apart parcours af. Buiten alle verwachtingen om werd landbouw de motor van de Europese eenmaking. Dat is onder meer de verdienste van de eerste Europese landbouwcommissaris, Sicco Mansholt.”

Hoe belangrijk is landbouw nog voor het moderne Europa? “Landbouw is in vergelijking met toen wat op de achtergrond verzeild geraakt”, geeft Relaes toe, “zelfs al is de Europese Commissie sterk overtuigd van het belang van de sector en gaat nog altijd 37 à 38 procent van het EU-budget naar landbouw.” Aan zelfvoorzienend zijn voor voedsel wordt vandaag niet meer hetzelfde gewicht toegekend als kort na de Tweede Wereldoorlog. Andere zaken wegen vandaag harder door. Voor het economisch weefsel op het platteland bijvoorbeeld wordt landbouw nog altijd belangrijk geacht. Europa weet dat je landbouw nodig hebt om plattelandsvlucht tegen te gaan.

Professor Vos wijst op een aantal waarden die we in Europa aan landbouw koppelen: de productie van voldoende voedsel dat veilig is en geproduceerd wordt met respect voor het dier en oog voor het landschap. “Als we dat willen behouden, dan hebben we een landbouwbeleid op Europees niveau nodig en hangt daar ook een prijskaartje aan vast. Laat je het over aan de vrije markt, dan wordt de landbouw in Europa weggeconcurreerd en worden we erg afhankelijk van een aantal landbouwgrootmachten.” Tot een renationalisering van landbouwbeleid ziet geen van beide experten het komen. “Ik heb geen glazen bol maar de huidige EU-commissaris wil dat zeker niet. Hogan zet sterk in de verf dat Europa een positief verhaal is voor landbouw”, zegt Joris Relaes. “Het gemeenschappelijk beleid opgeven, is niet zonder gevaar voor de sector want er kan altijd een regering in het zadel komen die landbouw minder genegen is.”

Ook Hendrik Vos gelooft niet in een overheveling van het landbouwbeleid naar de lidstaten, noch in het opdrogen van het EU-budget voor landbouw. “Het Europese landbouwbeleid opgeven, is te gek voor woorden want dat is de doodsteek van het hele EU-project. Bepaalde landen zullen hun landbouw sterk gaan subsidiëren terwijl anderen de grenzen sluiten voor deze concurrentievervalsing. De jaren ’50 waarin het voor Belgen verboden was om in Nederland boter te kopen, zijn dan plots niet veraf meer.” En wat dan met het Verenigd Koninkrijk dat een nationaal landbouwbeleid moet verzinnen als gevolg van de Brexit? “Het Verenigd Koninkrijk is niet het grote ‘landbouwland’ maar integendeel een importeur van voedsel. In het verleden kregen ze geen massa landbouwsubsidies en wat ze ontvingen, ging vaak naar grootgrondbezitters. Bovendien is het een eiland, wat het makkelijker maakt om de handel met het Europese vasteland te organiseren.” Niettemin zal er door de andere lidstaten met veel belangstelling gekeken worden naar het landbouwbeleid dat de Britten vanaf een wit blad papier kunnen uittekenen.

Als puntje bij paaltje komt, dan beseffen de Europese beleidsmakers dat er centen nodig zijn om landbouw in Europa te behouden. “Ik zie geen draagvlak voor het volledig overlaten van landbouw aan de vrije markt”, zegt professor Vos. “De sector heeft een aantal troeven om de grote hap uit het EU-budget te rechtvaardigen, maar zal wel moeten aantonen dat ze de zaken (dierenwelzijn, gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, enz.) aanpakt zoals de maatschappij dat verlangt. Landbouw moet laten zien dat het de investering waard is, bijvoorbeeld door de nadruk te leggen op de andere aanpak in vergelijking met derde landen. Hier wordt geen hormoonvlees geproduceerd en ook geen chloorkippen. Dat kan de sector uitspelen.” Een Europa dat terugtreedt? Het omgekeerde gebeurt in tal van beleidsdomeinen, ook daarom acht Hendrik Vos dit scenario onwaarschijnlijk voor landbouw. “Landen beseffen dat ze almaar meer aangewezen zijn op samenwerking. En ook al wordt de Europese agenda steeds voller, landbouw zal er nooit afvallen.”

“Europa ziet landbouw als een buitenbeentje van de economie, en is daarom bereid steun te verlenen in ruil voor duurzame productiemethoden”, vult Joris Relaes aan. “Ook in gebieden met natuurlijke handicaps, van in Finland tot Cyprus, willen de Europese beleidsmakers landbouwactiviteit behouden. Dat zou niet kunnen als we evolueren naar vrijhandel zonder overheidsondersteuning voor landbouw. In dat geval verdwijnt landbouw, of minstens bepaalde deelsectoren, volledig uit bepaalde delen van Europa. Tezelfdertijd wil Brussel zo efficiënt mogelijk werken, vandaar de marktprikkels die boeren voelen. Beide objectieven met elkaar verzoenen, lukt niet altijd even goed.”

Relaes ziet het niet gebeuren dat Europa de geldkraan dichtdraait voor landbouw, “maar het landbouwbudget zal wel onder druk blijven staan en in aandeel verder moeten inboeten.” Daaruit leidt hij af dat er nog strenger gekeken moet worden naar de efficiënte inzet van middelen. De beleidsmakers kunnen alvast werk maken van Relaes zijn suggestie om de landbouwsteun nog beter te richten op actieve landbouwers. De huidige definitie van dat begrip slaagt er bijvoorbeeld niet in om grootgrondbezitters en pensioenboeren uit te sluiten. Verder leidt het geen twijfel dat een aantal accenten in het landbouwbeleid anders gelegd zullen worden. “Klimaat wordt veel belangrijker”, voorspelt Joris Relaes, “waarbij niet alleen naar de sector gekeken zal worden als bedreiging, maar ook als deel van de oplossing.” Binnen het gemeenschappelijk landbouwbeleid ziet hij de tweede pijler, het plattelandsbeleid, verder aan belang winnen. En de maatschappelijke functies van landbouw waarover Hendrik Vos het al had, zullen volgens Joris Relaes nog zwaarder gaan doorwegen in de landbouwpolitiek van Europa.

Lees ook de wekelijkse duiding over 60 jaar Verdrag van Rome.

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via