nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

23.06.2017 Zijn afnemers solidair met boer die op droog zaad zit?

De aanhoudende droogte houdt niet alleen boeren maar ook beleidsmakers bezig. Naar minister Schauvliege wordt gekeken om het Landbouwrampenfonds te activeren en de sector op termijn weerbaarder te maken voor extreme weersfenomenen. Haar federale collega Willy Borsus gaat in op de vraag van Boerenbond voor uitstel van betaling van sociale bijdragen. Vlaams volksvertegenwoordiger Francesco Vanderjeugd (Open Vld) kruipt in zijn pen en vraagt de sectorvoorzitters van de aardappel- en groenteverwerkende industrie om landbouwers te ontzien en overmacht toe te staan in het licht van een duurzame samenwerking. Wat sectorfederaties Vegebe en Belgapom daarop te zeggen hebben, lees je hier.

Daags na het terreinbezoek van minister Joke Schauvliege en Boerenbondvoorzitter Sonja De Becker deelt federaal landbouwminister Willy Borsus mee dat hij de betalingsfaciliteiten voor sociale bijdragen uitbreidt voor land- en tuinbouwbedrijven. Tussen alle vragen en voorstellen van Boerenbond voor de Vlaamse minister van Landbouw zat er namelijk ook één verscholen voor haar federale collega, namelijk uitstel van betaling van sociale bijdragen.

Minister Borsus heeft daar niet lang over moeten nadenken. Vrijdag deelde hij al mee: “In 2016 erkende ik dat landbouw een ‘sector in crisis’ is, wat naast uitstel van sociale bijdragen ook eenvoudiger de mogelijkheid schept voor een vermindering van de voorlopige bijdragen. Gelet op de huidige droogte, de schade door lentenachtvorst en de moeilijke economische situatie die daarvan het gevolg is, verleng ik deze maatregelen.” Op die manier staat hij toe dat landbouwers hun betalingen van sociale bijdragen aanpassen aan de harde economische realiteit in hun sector.

Voor Vlaams volksvertegenwoordiger Francesco Vanderjeugd, ook een liberaal, zijn de mogelijkheden om in deze omstandigheden iets te doen voor onze boeren en tuinders beperkter. Hij probeert het met een open brief die gericht is aan de sectorvoorzitters van de aardappel- en groenteverwerkende industrie. Daarin maakt hij de vergelijking met de legendarische droogte in 1976 en vraagt hij de verwerkers om net als toen overmacht toe te staan aan landbouwers die de contractueel bedongen hoeveelheden niet kunnen leveren.

Vanderjeugd begrijpt dat het ook voor de industrie, die voldoende grondstof nodig heeft om aan de eigen contractuele verplichtingen te voldoen, uitdagende tijden zijn. “Toch is het, zoals zo vaak, de eerste en zwakste schakel van de voedselketen die het kwetsbaarst is.” De politicus vreest dat contractuele verplichtingen de boer nog meer in de financiële miserie duwen. Hij denkt daarbij vooral aan aardappeltelers want na het verzopen aardappelseizoen 2016 dienden heel wat telers dit jaar een extra inspanning te doen om de gecontracteerde volumes alsnog te leveren.

De boodschap van Vanderjeugd is kort samengevat “zie daarvan af, sta toe dat landbouwers overmacht inroepen en stuur een krachtig signaal van solidariteit naar de noodlijdende landbouwers”. De vraag van de Open Vld’er is pertinenter voor de aardappelindustrie dan voor de groenteverwerkende industrie omdat een teler van industriegroenten nooit gevraagd zal worden om onbestaand product, als gevolg van een misoogst, te leveren. Het maakt daarbij niet uit of het om erwten gaat waarvoor een hectare-contract gesloten is, of om bloemkolen die op basis van een tonnen-contract geteeld worden. In beide gevallen vervalt de leveringsplicht wanneer een teler het opbrengstverlies kan aantonen.

Uiteraard blijven misoogsten een financiële opdoffer voor een industriegroenteteler want wat hij niet levert, krijgt hij ook niet betaald aan de contractprijs. Vegebe-voorzitter Bernard Haspeslagh hoef je niet te overtuigen van de penibele situatie waarin telers verkeren. “Dit is het tweede moeilijke seizoen op rij, na de wateroverlast in 2016”, zegt hij. “Kleine opbrengstschommelingen door het weer zijn niet abnormaal maar nu zijn de gevolgen veel groter en in een aantal gevallen dramatisch groot, bijvoorbeeld op spinazievelden zonder mogelijkheid tot beregening. Dat is een ramp voor telers maar ook een groot probleem voor verwerkers op vlak van stockbeheer en het nakomen van contracten met onze afnemers.”

Extreme weersfenomenen zoals deze zijn volgens Haspeslagh moeilijk te voorzien binnen de reguliere contractvoorwaarden. “Uitzonderlijke omstandigheden vragen om uitzonderlijke maatregelen, maar het is te vroeg om te zeggen wat wij als industrie kunnen doen. Eerst moeten we overleg plegen met de telersorganisaties en nog even afwachten of de overheid een oplossing aanreikt in de vorm van een erkenning als landbouwramp. Bovendien is het uitkijken naar regen om vervolgens de schade door droogte juister te kunnen ramen. Vergeet niet dat het in 1976 pas in september weer begon te regenen, terwijl we nu zicht hebben op een weersverandering.”

In een aantal groenteteelten (o.a. spinazie, erwten, bloemkolen) is de schade reeds onomkeerbaar. Marc Seru en Romain Cools, respectievelijk voorzitter en secretaris van Belgapom, zijn hoopvoller gestemd wat de aardappelen betreft. “Voor vroege aardappelen die meestal op lichte zandgronden groeien, is de situatie problematisch maar moet je er bij zeggen dat het over 10.000 van de in totaal 95.000 hectare aardappelen in Vlaanderen gaat. Bovendien wijzen staalnamen op beregende percelen, en dat zijn er behoorlijk veel in de vroege teelt, uit dat de opbrengst behoorlijk zal zijn. Het verschil met niet-beregende percelen zal groot zijn. Sowieso gaat de oogst van vroege aardappelen pas los over drie weken en duurt het seizoen tot eind augustus voor de vroege aardappelen. Bewaaraardappelen hebben nog meer tijd om de groeiachterstand in te halen. De voorspelde recordoogst in eigen land zal er niet komen, maar een normale opbrengst kan nog voor de late aardappelen indien regen niet uitblijft.”

De oproep van Vanderjeugd om het opbrengstverlies door de droogte te solidariseren, gaat volgens Belgapom deels voorbij aan de complexe werking van de aardappelmarkt. “Een Vlaamse aardappelverwerker kan niet op zoek gaan naar een regio in Europa die gespaard bleef van droogte. Op de wereldmarkt valt er ook niets bij te kopen zodat een verwerker moet zorgen dat hij de contracten met zijn afnemers kan nakomen. Als dat betekent dat een landbouwer gewezen wordt op zijn verplichting om een gecontracteerd volume volledig te leveren, dan is dat in de gegeven omstandigheden niet prettig voor die laatste maar is dat een normaal risico dat bij contractteelt hoort.” Een risico dat een aardappelteler normaliter kan opvangen omdat hij niet zijn volledige oogst op contract verkoopt, maar slechts 35 of minder tonnen per hectare van de 45, 50 of misschien wel meer die hij verwacht te kunnen oogsten.

Na het rampzalig verlopen aardappelseizoen 2016, toen niet door droogte maar door wateroverlast, hebben aardappelhandelaars en -verwerkers zich wel degelijk solidair getoond met de getroffen telers. “Vorig jaar hebben wij als sectorfederatie de aardappeltelers opgeroepen om contact te nemen met hun afnemers voor het bespreken van uitzonderlijke opbrengstverliezen. Vaak zijn toen oplossingen uitgewerkt, zoals het spreiden van de ontbrekende volumes aardappelen over de eerstkomende jaren”, zegt Romain Cools van Belgapom. Hij sluit niet uit dat er ook minder fraaie voorbeelden zijn, maar benadrukt dat de industrie aardappelen en dus ook telers nodig heeft. In een sector met steeds minder maar tezelfdertijd meer professionele telers heeft niemand baat bij het wegvallen van bedrijven.

Dat het niet ieder voor zich is, willen Cools en Seru – die laatste runt één van de grootste aardappelhandelsbedrijven van het land – ook aantonen met de sensibilisering omtrent het maximaal te contracteren volume aardappelen. Een teler die per hectare meer dan 35 ton aardappelen vastlegt, speelt met vuur wanneer het vroege aardappelen betreft. “Handelaars hebben aardappeltelers daar vorig jaar sterk op gewezen. En sommige verwerkers geven expliciet aan dat 35 ton het maximum is, en wie meer wil contracteren per hectare dat op eigen risico doet.” In de wetenschap dat er aardappeltelers zijn die de goede raad in de wind slaan, is het volgens Belgapom te begrijpen dat afnemers verwachten dat de ontbrekende aardappelen door de teler zelf bijgekocht worden.

In de praktijk zorgen uitzonderlijke omstandigheden zoals de wateroverlast van 2016, en binnenkort misschien ook de droogte van 2017, er voor dat continuïteit in de commerciële relatie bij een aantal afnemers primeert op de juridische afwikkeling van het contract. Hoeveel handelaars en verwerkers zich coulant toonden en hoeveel er vorig jaar op hun strepen zijn blijven staan, daar heeft Belgapom als sectorfederatie geen zicht op. Belangrijk in omstandigheden als die van 2016 – en 2017 indien de droogte zou blijven aanhouden –, is dat bij een mislukking van de oogst de teler dat snel meedeelt en bewijst aan zijn afnemer zodat die laatste niet gaat denken dat zijn leverancier belust is op een hogere prijs op de vrije markt.

De verwerkende industrie voelt ook aan dat extreme weersfenomenen een nieuwe realiteit worden voor landbouwers. Anders dan de aardappelindustrie die zijn eigen boontjes moet doppen, kan de diepvriesgroentenindustrie op de steun van Europa rekenen om telers weerbaarder te maken tegen omstandigheden waar zij geen vat op hebben. Vegebe-voorzitter Bernard Haspeslagh verwijst naar de EU-steun die via de telersorganisaties verstrekt wordt voor instrumenten van risicobeheer, “en waar nog meer gebruik kan van worden gemaakt”.

Als bedrijfsleider van Ardo vermeldt Haspeslagh tot slot ook het pilootproject rond beregening met gezuiverd afvalwater dat zijn firma met de medewerking van Inagro en kenniscentrum VLAKWA uitvoert. Met cofinanciering door Europa investeert Ardo drie miljoen euro in de bouw van een 150.000 m³ meter groot waterspaarbekken en bijbehorend irrigatienetwerk dat toelaat om 550 hectare groentepercelen rond de fabriek te beregenen met proceswater. “In het licht van de klimaatverandering moeten we het weinige water dat voorradig is zo goed mogelijk opvangen en ter beschikking stellen van landbouw”, benadrukt Bernard Haspeslagh.

Bron: eigen verslaggeving

Beeld: Loonwerk Defour

Volg VILT ook via