nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

02.10.2019 Gekoppelde inkomenssteun past "ondernemende boer" niet

De nieuwe Vlaamse regering wil landbouwers zien ondernemen en vernieuwen zodat ze minder afhankelijk worden van Europese inkomenssteun. Een aantal deelsectoren leunen sterk op subsidies en dat moet veranderen. Welke aanpak staan N-VA, CD&V en Open Vld voor? Hun regeerakkoord voorziet tegen 2027 het uitdoven van de gekoppelde inkomenssteun die de vleesvee- en kalverenhouders momenteel ontvangen. In de plaats moet “een duurzaam alternatief” komen dat zowel de weggevallen steun opvangt als helpt bij de realisatie van de klimaatdoelstellingen. In plaats van onrendabele activiteiten overeind te houden, wil Vlaanderen bedrijfsleiders stimuleren om nieuwe wegen binnen of buiten de landbouw (b.v. toerisme, zorg, opleiding) te verkennen.

In het regeerakkoord zijn ondernemerschap en innovatie twee termen die vaak weerkeren. Ook als het over de Vlaamse land- en tuinbouw gaat, zijn dat de codewoorden. “Ondernemerschap en innovatie zijn essentieel om te komen tot schaalverandering en tot hoogkwalitatieve producten met een hoge(re) toegevoegde waarde op basis van meer duurzame productiemethoden. Zo komen we ook tot gezonde en nieuwe voedingsproducten, landbouwverbreding, korte en circulaire ketenmodellen, stadslandbouw en productie voor de biogebaseerde economie (voeding én materialen).”

De nieuwe Vlaamse regering belooft “goed opgeleide startende ondernemers in de sector te ondersteunen”, maar lijkt als vertrekpunt wel te nemen dat landbouwbedrijven op eigen benen kunnen staan. De subsidie-afhankelijkheid in bepaalde deelsectoren wordt daarom als een uitdaging bestempeld. Volgend voornemen voor de periode 2019-2024 wordt daaraan gekoppeld: “Vlaanderen faciliteert de omschakeling van bestaande landbouwactiviteiten naar potentieel meer rendabele en meer duurzame activiteiten, zowel in de land- en tuinbouw als daarbuiten (bv. toerisme, zorg, opleiding en vorming).”

Dat landbouwers inkomenssteun genieten van Europa lijkt geen struikelblok, voor zover het niet om gekoppelde steun gaat die verstrekt wordt met het idee dat een deelsector anders niet levensvatbaar is in onze regio. Toevallig deze week communiceerde het Departement Landbouw en Visserij dat de periode aanbreekt voor het aanvragen van premierechten voor zoogkoeien en vleeskalveren. Dat soort aan productie gekoppelde steun is de nieuwe Vlaamse regering niet genegen want ten laatste tegen 2027 wil men er vanaf. Een erg ondernemende vleesveehouder drukte recent op VILT.be nog de hoop uit dat de zoogkoeienpremie blijft bestaan omdat zijn bedrijfsvoering anders financieel spaakloopt, “zelfs al teel ik het ruwvoeder zelf en realiseer ik meerwaarde met de verkoop van rundvlees in de korte keten”.

Van de toekomstige hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) wil Vlaanderen gebruikmaken om eigen accenten te leggen in het strategisch plan dat uitvoering zal geven aan de Europese krijtlijnen. Ook dat plan moet erop gericht zijn landbouwer minder afhankelijk te maken van inkomenssteun door in te zetten op meer innovatie, marktwerking, schaalverandering, multifunctionaliteit, klimaatmaatregelen, bescherming van natuurlijke hulpbronnen, biodiversiteit en landschapsbeheer.

Het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds (VLIF) zal als onderdeel van dat nieuwe GLB hervormd worden tot “een toekomstgericht ondernemersfonds” dat landbouwers aanmoedigt om hun bedrijfsstructuren te verduurzamen. Dat moet hen beter in staat stellen om te beantwoorden aan maatschappelijke verzuchtingen inzake leefmilieu, biodiversiteit, klimaat en dierenwelzijn. En het moet landbouwers weerbaarder maken tegen marktschokken. Subsidies voor investeringen op landbouwbedrijven streven een innovatieve en klimaat- en milieuvriendelijke landbouw na.

De middelen van het VLIF zullen ook ingezet worden ter ondersteuning van innovatieve bedrijfsmodellen, biolandbouw, agro-ecologie en korte ketens, “waarbij het ook mogelijk moet worden voor kleine bedrijven om ondersteuning aan te vragen”. Het regeerakkoord stipuleert dat minimaal 10 procent van de middelen gereserveerd moeten worden voor ‘niet-productieve investeringen’ (o.a. water- en bodembeheer) en nog eens zoveel naar ‘pure innovatie’ door pionier-boeren moet gaan.

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via