nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

09.09.2019 Scheuren van grasland wordt ongewenst effect van MAP6

De Vlaamse Landmaatschappij (VLM) wil landbouwers duidelijk maken dat de instandhoudingsplicht voor blijvend grasland hen er niet van mag weerhouden om een beheerovereenkomst af te sluiten. Ze geldt namelijk niet voor grasstroken in beheer. “Rechtszekerheid is cruciaal voor het succes van het instrument beheerovereenkomsten”, laat VLM optekenen. “Klopt, en die is er onvoldoende voor de landbouwer”, reageert een VILT-lezer op het persbericht, “want de grasstroken zijn als tijdelijk grasland meegeteld bij de berekening van het referentieareaal vanggewassen.” Dat blijkt effectief zo te zijn, en het sluit aan bij reeds eerder geventileerde kritiek dat het zesde mestactieplan inspanningen uit het verleden bestraft en niet beloont. Deze en andere averechtse effecten van de vanggewasregeling zijn recent door Boerenbond onder de aandacht van minister Koen Van den Heuvel gebracht.

Het persbericht dat de Vlaamse Landmaatschappij vorige week uitstuurde, moet komaf maken met de vrees van landbouwers dat het afsluiten van een beheerovereenkomst hun teeltvrijheid kan beknotten. Meer specifiek denken heel wat landbouwers dat op grasstroken in beheer, na afloop van de vijfjarige overeenkomst met VLM, de instandhoudingsplicht voor blijvend grasland van toepassing is. Dat zou betekenen dat ze grasstroken, die bijvoorbeeld aangelegd zijn naast een houtkant of onderaan een hellend perceel, niet meer mogen scheuren.

In de praktijk worden de meeste beheerovereenkomsten na hun einddatum verlengd door de betrokken landbouwers. Voor hun gemoedsrust is het evenwel belangrijk om te weten dat ze op termijn geen nadeel zullen ondervinden van die inspanningen. Op vraag van VLM verduidelijkte het Departement Landbouw en Visserij dat op grasstroken in beheer na vijf jaar geen instandhoudingsplicht rust. Het Agentschap voor Natuur en Bos voegt er wel aan toe dat de landbouwer in VEN-gebieden een ontheffing moet aanvragen als hij de grasstrook na afloop van zijn contract wenst te scheuren.

In principe kan elke maatregel in het kader van een VLM-beheerovereenkomst na vijf jaar dus teruggeschroefd worden, wat voor de Vlaamse Landmaatschappij uitgelegd wordt als de rechtszekerheid waar de sector naar verlangt. “Onvoldoende”, oordeelt een VILT-lezer die actief is in de toelevering aan landbouw. Er stelt zich naar verluidt nog steeds een probleem, meer bepaald in de nieuwe vanggewasregeling die het zesde mestactieplan introduceerde. Landbouwers moeten hun referentiepercentage vanggewassen aanhouden, en in de gebiedstypes 2 en 3 nog uitbreiden richting 2022. “Tijdelijk grasland, ook grasstroken in beheer, is meegeteld bij de berekening van de historische referentie”, luidt een eerste punt van kritiek.

Zonder het te weten, hebben landbouwers hun verplichtingen inzake vanggewassen verzwaard door tussen 2016 en 2018 grasstroken te onderhouden in het kader van een beheerovereenkomst. Daar wringt het schoentje dus nog steeds als het over rechtszekerheid gaat. Bevestiging daarvan vinden we in communicatie die VLM per mail bezorgde aan alle Vlaamse landbouwers met een beheerovereenkomst, gelegen in gebiedstype 2 of 3. Daarin staat te lezen: “Percelen waar in het kader van een beheerovereenkomst andere teelten op groeien dan gras zullen niet beschouwd worden als bouwland. Daardoor tellen ze niet mee voor het bepalen van het doelareaal vanggewassen. Alle tijdelijke graslandpercelen, ook de grasstroken in het kader van een beheerovereenkomst, hebben daarentegen mee de hoogte van het referentiepercentage bepaald. Ze tellen dan ook mee bij de berekening van het gerealiseerde areaal.”

Wanneer tijdelijk grasland na vijf jaar het statuut van blijvend grasland krijgt omdat de beheerovereenkomst een verlengstuk krijgt, wordt het perceel niet meer meegenomen als bouwland. Ook dat zal volgens de kritische lezer landbouwers voor een onprettige verrassing plaatsen. Een korte rekenoefening maakt dat duidelijk: “Een landbouwer met een areaal van pakweg 20 hectare en een referentiepercentage van 50 procent moet naast zijn 2 hectare grasstroken 8 hectare vanggewas inzaaien. Worden de grasstroken blijvend grasland, dan wordt het referentiepercentage berekend op de resterende 18 hectare bouwland. Dat komt neer op het verplicht inzaaien van geen 8 maar 9 hectare vanggewas.”

Een landbouwer die extra vanggewas niet kan inpassen in zijn teeltrotatie komt nu tot de conclusie dat het beter is om de ploeg in tijdelijk grasland te zetten zodat het geen blijvend grasland wordt. In het licht van de broodnodige koolstofopbouw in de bodem is dat een spijtige zaak. De Vlaamse Landmaatschappij ligt zelf nog in de knoop met het statuut van een aantal graspercelen, “en onderzoekt nog hoe ze duurzaam in de vanggewasregeling ingepast kunnen worden”. In de communicatie naar landbouwers staat over welke graspercelen het precies gaat, maar een aangepaste regeling daarvoor zou bovenstaand probleem nog altijd ongemoeid laten.

Door de onmiddellijke ingang van MAP6 worden veel praktische problemen bij de implementatie ervan nu pas duidelijk. “Op het terrein is er heel wat frustratie rond het nieuwe mestbeleid dat op het einde van de vorige regeerperiode gestemd werd”, liet Boerenbondvoorzitter Sonja De Becker optekenen tijdens een briefing van de landbouwpers over de actualiteit. “Vooral de vanggewasregeling is onwerkbaar, en dreigt een aantal averechtse effecten te hebben.” Omdat landbouwers zich compleet vastrijden in de goede bedoelingen van de wetgever trok het hoofdbestuur van Boerenbond met een aantal voorstellen tot verbetering naar minister Koen Van den Heuvel. “Niet om in te gaan tegen de doelstelling van MAP6”, zo benadrukt De Becker, “maar om de contraproductieve elementen eruit te halen. We ervoeren veel begrip voor de praktische problemen van landbouwers, alsook de bereidheid om er met VLM binnen de contouren van het Mestdecreet een oplossing voor te zoeken.”

Bron: eigen verslaggeving

Beeld: Vlaamse Landmaatschappij

Volg VILT ook via