nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

 

07.03.2017 Wat kan beleid doen opdat boeren compost omarmen?

Uit het interview met de Bodemkundige Dienst van België en biologische kringloopspecialist Vlaco onthouden we dat er goede redenen zat zijn om compost aan te wenden op landbouwpercelen. In deze bijdrage willen we even stilstaan bij de mogelijke nadelen. Die zijn schaars en wegen niet op tegen de voordelen, wat ons bij de vraag brengt of het beleid meer sturend kan werken richting het gebruik van compost. Een vruchtbare bodem is immers van belang voor de voedselvoorziening van toekomstige generaties. Ook de klimaatverandering noopt ons tot meer aandacht voor bodemprocessen want koolstof kan beter vastgelegd zijn in de bodem dan als CO2 rondzweven in de lucht.

Twee eerdere bijdragen op VILT.be over compost hebben het uitgebreid over de voordelen van compost. Het compostverhaal lijkt bijna te mooi om waar te zijn zodat we in het interview met Annemie Elsen van Bodemkundige Dienst en Wim Vanden Auweele van Vlaco doorvragen naar de nadelen. Niet echt een nadeel maar wel iets om rekening mee te houden, is dat compost pas goed uit de verf komt als het voldoende frequent en liefst jaar na jaar toegediend wordt. De bodemvruchtbaarheid opkrikken is een werk van lange adem, en dat is met compost niet anders. Annemie Elsen moet even nadenken vooraleer haar twee minpunten van compost te binnen schieten: enerzijds het nitraatresidu in het najaar dat minder voorspelbaar wordt door de toegenomen mineralisatie in de bodem en anderzijds het risico op zoutschade bij jonge plantjes.

“Zoutschade kan je voorkomen door de compost goed in te werken”, zegt Elsen. “Ook het risico op een te hoog nitraatresidu willen we ondervangen door de nieuw opgedane kennis inzake mineralisatie te verwerken in het bemestingsadvies van BDB. Bedoeling is dat ons rekensysteem slimmer wordt en rekening houdt met regelmatige dosissen compost of stalmest op een perceel.” We catalogeren de hogere mineralisatie in de bodem hier als een nadeel vanwege het risico op uitspoeling van stikstof naar het water, maar landbouwkundig is het eigenlijk een voordeel. Stikstof die de bodem vrijstelt door de afbraak van organisch materiaal hoeft een landbouwer immers zelf niet toe te dienen in de vorm van meststoffen. Het maximaal inzetten van vanggewassen (groenbedekkers, nvdr.) past perfect in dit plaatje want zij voorkomen een te hoog nitraatresidu in het najaar en stellen de stikstof in het voorjaar opnieuw ter beschikking van het gewas.

Wat ook speelt maar misschien minder dan 20 jaar geleden is de argwaan bij landbouwers die denken dat groen- en gft-afval van particulieren geen ‘schoon’ eindproduct kan opleveren. In de beginjaren van de selectieve afvalinzameling durfde er al eens plastic in de gft-bak verzeild geraken. Hoewel er machines zijn om de grondstoffenstromen voor te behandelen en de ongewenste deeltjes uit de compost te halen, blijft het belangrijk om de burger goed op te voeden. “Ecowerf maakt duidelijke brochures over wat wel en niet in de gft-bak mag”, weet Wim Vanden Auweele. “Vandaag slagen we er in om compost te maken die geschikt is voor de productie van potgrond. Aangezien dit heel kieskeurige afnemers zijn, betekent dit wel wat.”

Behalve onzuiverheden zijn ook zware metalen ongewenst in compost. “Zelden of nooit levert dat een probleem op, zelfs in risicovolle regio’s zoals Balen en Lommel blijven de gemeten waarden onder de norm.” Voor onkruidzaden, insecten en schimmels hoeft een landbouwer evenmin bang te zijn. Zij overleven het composteringsproces niet door de hoge vochtigheid en hoog oplopende temperatuur (55-70°C) in de composthoop. Bij Vlaco spreken ze daarom van een “gehygiëniseerd product”. En ze garanderen dat zelfs een taaie plantenziekte als het tabaksmozaïeksvirus (een nachtmerrie voor tomatentelers, nvdr.) het composteringsproces niet overleeft. Twijfels over de kwaliteit van compost zijn dus ongegrond.

Aan het gebruik van compost lijken dus geen nadelen verbonden, enkel een paar goed beheersbare risico’s. De balans helt dus zwaar over richting de voordelen van compost. Daar zijn landbouwkundige voordelen bij, maar ook maatschappelijke: koolstofopslag in de bodem, erosiebestrijding, bodemvruchtbaarheid in het licht van de voedselzekerheid op lange termijn, het sluiten van biologische kringlopen, enz. Is het gelet op de maatschappelijke voordelen niet de taak van de overheid om compostgebruik breder ingang te doen vinden in de landbouw? En bodemvruchtbaarheid meer op het voorplan te brengen? “Via de randvoorwaarden die gekoppeld zijn aan de Europese inkomenssteun aan landbouwers gebeurt dat reeds, weliswaar in zeer beperkte mate”, licht Annemie Elsen toe.

Daarmee verwijst ze naar de analyseresultaten van bodemstalen die elke landbouwer moet kunnen voorleggen. Brengen de bodemstalen een te laag koolstofgehalte aan het licht, dan moet de landbouwer het advies van het labo volgen. Elsen en ook Vanden Auweele vinden de gehanteerde ondergrenzen weinig ambitieus, om niet te zeggen dramatisch laag. De limietwaarden voor het percentage organische koolstof variëren van 0,9 procent op (zand)leemgrond en 1 procent op zandgrond tot 1,2 procent op kleigrond. De streefwaarden die de Bodemkundige Dienst hanteert liggen beduidend hoger. Ze schommelen op leemgrond tussen 1,2 en 1,6 procent en op zandgrond tussen 1,8 en 2,8 procent.

Om een korting op zijn inkomenssteun te vermijden, dient een landbouwer op een perceel waar de overheid de bodemvruchtbaarheid problematisch laag vindt ieder jaar een minimale hoeveelheid effectieve organische koolstof aan te brengen. Dat is de hoeveelheid aangevoerde organische koolstof die na één jaar nog in de bodem aanwezig is. Door een uitgekiend teeltplan dat voorziet in oogstresten, groenbedekkers, organische meststoffen en bodemverbeteraars kan een landbouwer zijn perceel opnieuw in een goede landbouw- en milieuconditie brengen. De nutriëntenaanvoer door organische bemesting moet in rekening worden gebracht, wat van het herstel van de bodemvruchtbaarheid een werk van lange adem maakt. Er kunnen immers geen grote hoeveelheden stalmest of compost in korte tijd toegediend worden.

Om landbouwers te helpen bij een goed koolstofbeheer van hun bodem publiceerde de Vlaamse overheid de brochure ‘Organische stof in de bodem: sleutel tot bodemvruchtbaarheid’ en ontwikkelde ze de online DEMETER-tool. Een gelijkaardige rekentool werd ontwikkeld door de Bodemkundige Dienst en is ook online beschikbaar. Met deze koolstofsimulators kan een landbouwer zelf de optimale bemesting berekenen, afgaand op de nutriëntenvoorziening voor de gewassen en de organische stof in de bodem. De gebruiker geeft een teeltrotatie in, waarna het computerprogramma voorrekent hoeveel extra organisch materiaal nodig is om de organische stof in de bodem op lange termijn in de streefzone te houden. Door de inputparameters te wijzigen, kan een landbouwer zelf uitzoeken welke teeltmaatregelen of aanpassingen aan de gewasrotatie het organische koolstofgehalte in de ene of de andere richting beïnvloeden.

Als beleidsmakers boeren willen overtuigen van het belang van een vruchtbare bodem, dan kan dat nog op andere manieren dan door in hun portemonnee te zitten. Welke mogelijkheden zijn er binnen een stimulerend beleid behalve rekentools en brochures om te sensibiliseren? Er is het bestaand voorbeeld van het erosiebeleid: landbouwers die hun bodemvruchtbaarheid goed voor elkaar hebben, kunnen aan de overheid vragen om een hellend perceel één klasse in erosiegevoeligheid te laten dalen. Daartoe moeten ze aan de hand van een bodemstaal kunnen aantonen dat het koolstofgehalte van een perceel 1,7 procent of meer bedraagt (en de zuurtegraad optimaal is). Een vruchtbare bodem is immers minder onderhevig aan afspoeling van water en modder. Andere teeltmaatregelen om erosie te vermijden, mogen om die reden versoepeld worden.

Bij een stimulerend beleid denken we ook aan subsidies omdat dit instrument in het verleden al is toegepast ter verbetering van de bodemvruchtbaarheid. Tot 2007 stond er in het plattelandsbeleid een subsidie groenbedekking ingeschreven, net voldoende om de kosten van het zaaizaad te dekken. Dit heeft duizenden boeren over de streep getrokken. Een nateelt van groenbedekkers groeide in korte tijd uit tot een gangbare landbouwpraktijk omdat boeren en tuinders de voordelen ervan ervaren. Zou het ook compost zo kunnen vergaan?

Misschien is het niet (alleen) bodemvruchtbaarheid dat compost meer op de voorgrond zal brengen. Milieu en klimaat kunnen uitgroeien tot even dwingende redenen. Wim Vanden Auweele verwijst naar het ‘4 pro mille’-project in Frankrijk: “Daar berekende men dat een jaarlijkse mondiale stijging met 0,4 procent van het organische stofgehalte van de bodem voldoende CO2 in de bodem capteert om de klimaatopwarming tegen te gaan.” Tijdens het composteringsproces wordt ook CO2 uitgestoten, “maar de balans is zeer positief ten opzichte van alternatieve verwerking van groen- en gft-afval”.

Compost spaart ook CO2 uit wanneer het veen vervangt als ingrediënt van potgrond. Veen is een eindige grondstof die wordt gewonnen in veengebieden buiten Vlaanderen (Oost-Europa, Ierland, …). Dit vormt een basisingrediënt van vele potgronden. Vlaco heeft in het DuPoCo-project aangetoond dat een groot gedeelte van dat veen kan vervangen worden door andere meer duurzame bronnen zoals compost, zonder dat de kwaliteit van de potgrond hierdoor negatief wordt beïnvloed.

Een andere beleidsdoelstelling die compost op het lijf geschreven is, heeft te maken met de circulaire economie en het recycleren van nuttige materialen. Met compost kan je kringlopen lokaal sluiten als de nutriënten en organische stof benut worden door de eigen landbouw. De Vlaco-medewerker verwijst in dat verband naar de nutriënten, onder andere fosfor, die via compostering gerecupereerd worden uit reststromen. Aan fosfor is in Vlaanderen geen gebrek, maar het mondiale plaatje ziet er anders uit.

Wim Vanden Auweele: “Fosfor is een eindige grondstof en wordt hoofdzakelijk gewonnen uit rotsfosfaat in een vijftal landen buiten de EU. Naar analogie van de ‘peak oil theory’ is er een ‘peak phosphorus theory’ die de productie van ruw fosfaat vanaf 2034 (de berekeningen lopen sterk uiteen) ziet dalen terwijl de vraag vanwege de voedselvoorziening voor een groeiende wereldbevolking blijft toenemen. Rotsfosfaat is door de Europese Commissie op de lijst met kritische grondstoffen geplaatst.”

Lees ook: ‘Groeit compostgebruik uit tot goede landbouwpraktijk?’ & ‘Vlaams-Brabant ontdekte 20 jaar geleden het zwarte goud’

Bron: eigen verslaggeving

Beeld: Ecowerf

Volg VILT ook via